Conclusie
1.Feiten en procesverloop
NLG 2.100.000,.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelheeft betrekking op het oordeel van het hof ten aanzien van het beweerde liquidatietekort op 12 januari 1998 en de naar aanleiding daarvan door de Bank ingestelde tradingstop.
onder 1over rechtsoverweging 6.5.4 van het hof. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk. [eisers] hebben er in appel op gewezen dat de Bank in eerste aanleg heeft erkend dat [eisers] opdracht hebben gegeven tot het tegensluiten van de USD/CAD positie ter waarde van USD 12,5 miljoen en dat de bank die opdracht heeft geweigerd. In deze erkenning ligt besloten dat [eisers] de betreffende positie wel degelijk hielden. Volgens het onderdeel kon de Bank in hoger beroep niet meer betwisten dat [eisers] de opstaande USD/CAN 12,5 miljoen positie in portefeuille hadden, waarbij het onderdeel verwijst naar art. 348 Rv Pro.
verweerderbeperkt in het standpunt dat deze in hoger beroep kan innemen en dus niet de oorspronkelijke eiser. Een ruime toepassing van art. 348 Rv Pro zou daarom gemakkelijk leiden tot een niet te rechtvaardigen ongelijke behandeling van procespartijen. [5]
onder 3met een klacht gericht tegen onderdelen van de rechtsoverwegingen 1.4, 6.4 en 6.6 van het arrest van het hof:
enkelwas gelegen in de op 7 januari 1998 gekochte en door de Bank toegestane GBP 50 miljoen optiepositie.
tweede onderdeelbetreft de opdrachten die [eisers] volgens zijn stellingen tijdens de tradingstop heeft gegeven. Met betrekking tot deze opdrachten stond in hoger beroep tussen partijen vast dat ze door de Bank hadden moeten worden uitgevoerd indien de transacties schadebeperkend waren en niet tot verhoging van het risicoprofiel zouden leiden. [12] Voor zover in cassatie nog van belang heeft het hof met betrekking tot de beweerde opdrachten verder als volgt overwogen:
verkopen/sluitenvan de in positie zijnde putoptie USD/DEM van 10 miljoen. Hoe daaruit iets volgt met betrekking tot een gegeven opdracht tot het
kopenvan USD 10 miljoen tegen DEM 1,7520/25, is niet begrijpelijk toegelicht. [14] Van een gedekt verweer in de zin van art. 348 Rv Pro, dan wel een gerechtelijke erkentenis in de zin van art. 154 Rv Pro, is dus ook ten aanzien van de opdracht tot het kopen van USD 10 miljoen tegen DEM 1,7520/25 geen sprake.
die [eiseres 2] heeft gegeven’ en om [betrokkene 1] alsnog te laten verklaren over de vraag of [eisers] tijdens de tradingstop opdracht hebben gegeven om deze positie te sluiten. Hierover had [betrokkene 1] zich tot op dat moment nog niet uitgelaten, zoals ook het hof in rechtsoverweging 7.4.1 heeft overwogen, aldus het onderdeel.