Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
fishing expedition’. [5]
fishing expedition’. Het hof, dat in rov. 3.1 al naar het arrest van 24 april 2015 had verwezen, doelt kennelijk op een ‘
fishing expedition’als bedoeld in dat arrest.
fishing expedition’inhouden [7] .
fishing expedition’ in de zin van het arrest van 24 april 2015 in dit geval geen sprake is. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. De vordering is niet willekeurig tegen deze belastingplichtigen gericht. Het hof noemt immers − naast de vaststaande feiten, waaronder het nummer van de aanvankelijk voor de Belastingdienst verzwegen rekening bij KB-Lux − als concrete aanknopingspunten voor nader onderzoek door de Belastingdienst:
novum). In grief 3 hebben zij slechts aangevoerd dat de Staat geen belang zou hebben bij een rechterlijk bevel om mondeling toelichting te geven: zij hebben deze grief toegelicht met het argument dat het vanaf 2002 op de weg van de Belastingdienst had gelegen, hen uit te nodigen tot het geven van een mondelinge toelichting op hetgeen zij in dat jaar op het formulier hadden ingevuld. Het hof heeft die grief verworpen in rov. 3.7 (waarover middel 4 hierna). In de verdere toelichting op de klacht wordt benadrukt dat het bevel is versterkt met een dwangsomsanctie. Dat argument noopt niet tot een gegrondverklaring van de klacht. In de fase van de invordering door de Staat van een beweerdelijk verbeurde dwangsom, kan zo nodig alsnog door de rechter worden onderzocht of de veroordeelde aan het rechterlijk bevel heeft voldaan. Het middel faalt.
indien zij daartoe door de Belastingdienst worden uitgenodigd. De belastingplichtigen betogen dat, gelet op het karakter van de dwangsom, slechts dan een veroordeling met dwangsomsanctie tot het geven van een mondelinge toelichting gerechtvaardigd is indien feitelijk is vastgesteld − en niet slechts een vermoeden bestaat − dat zij een verzoek van de Belastingdienst om mondeling toelichting te geven afwijzen.
nemo tenetur-beginsel, valt geen verzoek aan het hof te lezen om aan een bevel met dwangsomsanctie een restrictie te verbinden met betrekking tot het gebruik van de door de belastingplichtigen te verstrekken gegevens in andere, voor de belastingrechter aanhangige, procedures [21] . Op grond van art. 347 lid 1 Rv Pro kan de oorspronkelijke eiser zijn eis in hoger beroep wijzigen of vermeerderen, maar niet op een later tijdstip dan in het eerste gedingstuk in appel. Deze regel geldt ook in een kort geding. Nu de belastingplichtigen eerst bij pleidooi in hoger beroep de stelling hebben opgeworpen dat aan de dwangsomsanctie een matigingsclausule zou moeten worden verbonden en/of een tweede restrictie zou moeten worden verbonden aan het gebruik door de Belastingdienst van de te verstrekken informatie, heeft het hof kunnen beslissen dat de Staat terecht bezwaar maakte tegen een uitbreiding van de gronden van het hoger beroep. Middel 5 faalt.
nemo tenetur-clausule verbonden. Daarmee was er voor de belastingplichtigen geen geldige grond meer om afgifte van het materiaal aan de Belastingdienst te weigeren. Voor zover de belastingplichtigen in de zo-even aangehaalde passage uit de pleitnota hebben willen stellen dat het te verstrekken bewijsmateriaal – ook voor de belastingheffing – niet mag worden gebruikt in procedures die reeds aanhangig zijn bij de belastingrechter [25] , is hiervoor al uiteengezet dat het hof deze uitbreiding van de rechtsstrijd in hoger beroep niet heeft aanvaard noch had behoeven te aanvaarden. Middel 7 faalt.