Conclusie
1.Feiten en procesverloop
afhankelijk van de weersomstandigheden-
doorgaans meer thuis. In die periode zal hij in nader onderling overleg vaker tussendoor de zorg voor [de zoon] op zich nemen.
. De vrouw is thans zwanger van deze partner en is in november 2015 uitgerekend. De vrouw wenst met[de partner]
een gezin te vormen. De[partner]
heeft omgang met twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie en heeft een vaste dienstbetrekking in [plaats B]. Een verhuizing van de[partner]
naar deze omgeving ligt dan ook niet in de lijn der verwachting. De vrouw is sedert geruime tijd werkloos. Door een verhuizing zullen de vrouw en [de zoon] in een betere financiële situatie komen te verkeren. Gelet op het voorgaande is de noodzaak van de verhuizing van de vrouw naar het oordeel van de kinderrechter voldoende aangetoond. Dit wordt door de man ook niet betwist.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [1] )Door niet alle omstandigheden, waarop de vrouw zich heeft beroepen, in zijn beoordeling te betrekken heeft het hof, zo wordt in onderdeel 1 betoogd, de zojuist genoemde maatstaf niet aangelegd of miskend, althans heeft het hof, naar in onderdeel 2 wordt gesteld, zijn oordeel niet deugdelijk en niet toereikend gemotiveerd.
alledoor haar gestelde feiten en omstandigheden rekening diende te houden. Vooral de formulering van de uit de HR-beschikking van 2008 geciteerde overweging biedt hieraan steun. Niettemin zal toch deze nuancering in aanmerking moeten worden genomen dat het wel moet gaan om alle
relevantegestelde feiten en omstandigheden. Dat de hiervoor in 2.3 genoemde feiten en omstandigheden relevante feiten en omstandigheden vormen, is door de vrouw in de onderdelen 1 en 2 niet expliciet gesteld. Hieraan zijn echter geen nadelige gevolgen te verbinden. Bedoelde feiten en omstandigheden zijn voor relevant te houden. Zij zijn van een zodanige aard dat aan hen als zodanig gewicht toekomt bij de weging van de belangen die bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw een rol spelen.
“indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.”Met de passage
“belangenafweging zoals hiervoor bedoeld”heeft het hof het oog op de in rov. 5.1 genoemde belangenafweging. Die belangenafweging voert het hof vervolgens met name in rov. 5.5 uit en leidt het hof tot de beslissing dat de verhuizing van [de zoon] naar [plaats B] niet in zijn belang is en het verzoek van de moeder om haar de vervangende toestemming tot verhuizen naar [plaats B] te geven moet worden afgewezen. Daarin ligt besloten dat het hof de zojuist genoemde voorwaarde te dezen voor niet vervuld houdt en dat derhalve te dezen niet overeenkomstig dat uitgangspunt kan worden beslist. Gelet op een en ander, kan niet worden gezegd dat het hof in rov. 5.5 gelet op meergenoemd uitgangspunt een onjuiste maatstaf hanteert, althans zijn beslissing in die rechtsoverweging onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd heeft. Het hof neemt het uitgangspunt in aanmerking, maar acht uiteindelijk geen ruimte om overeenkomstig dat uitgangspunt toestemming tot verhuizing te verlenen.
( [7] )Ingevolge lid 2 van artikel 154 Rv Pro. kan op de erkenning in de betrokken procedure slechts worden teruggekomen op de grond dat de erkenning door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Er zijn, zo volgt uit het voorgaande, nogal verstrekkende gevolgen aan een gerechtelijke erkentenis verbonden. Daarin is aanleiding te vinden om niet te spoedig tot aanwezigheid van een gerechtelijke erkentenis te concluderen.
“Volgens vaste rechtspraak moeten alle belangen worden afgewogen. De noodzaak: de vrouw wil een gezin vormen en is op dit moment zwanger. Dus de noodzaak voor verhuizen is wel duidelijk.”Op blz. 3 van haar beschikking van 31 juli 2015 geeft de rechtbank als haar oordeel dat de noodzaak van de verhuizing van de vrouw voldoende is aangetoond en voegt daaraan toe dat de noodzaak tot verhuizen door de man ook niet wordt betwist. Tot de aanwezigheid van de noodzaak tot verhuizen concludeert de rechtbank wel vanuit meer invalshoeken. Behalve het van haar partner zwanger geraakt zijn van de moeder en haar wens om met haar partner een gezin te vormen, neemt de rechtbank ook in aanmerking dat er sprake is van een bestendige relatie tussen de moeder en haar nieuwe partner, dat de partner omgang heeft met twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie, dat hij een vaste dienstbetrekking in [plaats B] heeft en derhalve een verhuizing naar [plaats A] of omgeving niet in de lijn der verwachting ligt, en dat met een verhuizing de financiële positie van de vrouw en [de zoon] zal verbeteren. Hiermee beoordeelt de rechtbank het belang van de noodzaak van verhuizen op een bredere voet. Met zijn eerste grief bestrijdt de vader het oordeel van de rechtbank dat de noodzaak tot verhuizen voldoende is aangetoond. In dat kader bestrijdt hij de door de rechtbank voor haar oordeel aangehouden invalshoeken, voor zover zij niet de zwangerschap van de moeder en haar wens om met de nieuwe partner een gezin te vormen betreffen.
Conclusie