Conclusie
1.Feiten en procesverloop
In aanmerking nemende:
in aanmerking nemende:
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
eerste onderdeelkomt [eiser] op tegen de rechtsoverwegingen 3.11 tot en met 3.20 van het arrest van het hof van 22 december 2015. [10] Die overwegingen luiden:
onder 2.1.1vervolgens dat door [eiser] op verschillende plaatsen in de gedingstukken is aangevoerd dat hij niet heeft begrepen en ook niet heeft geweten dat er sprake was van een opgave- en verrekenverplichting. Daartoe worden de volgende stellingen aangehaald:
moetenbegrijpen en redelijkerwijs heeft
moetenweten. Dat geldt altijd (art. 3:11 BW Pro) en dat geldt te meer voor een werknemer die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst voorzitter van het College van Bestuur was.
nietde betekenis heeft mogen toekennen dat artikel 5 van Pro deze overeenkomst toepassing miste indien [eiser] per 1 augustus 2005 niet met vroegpensioen zou gaan. Daarbij komt in rechtsoverweging 3.18 ook de ratio van artikel 5 aan Pro de orde, in het licht van de bij het beding betrokken belangen van partijen.
specifieke uitlatingen en gedragingen van Amarantis.In zoverre berust het onderdeel echter op een onjuiste opvatting van de Haviltexmaatstaf. Voor de vraag wat partijen mochten begrijpen en verwachten zijn alle omstandigheden van het geval van belang, [14] waaronder ook de tekst van de overeenkomst als zodanig, en dus niet slechts specifieke uitlatingen of gedragingen van één partij.
van de Regeling 2004niet geregeld wordt wanneer er financiële sancties zouden moeten volgen en wat deze sancties in zouden houden. Deze regeling dateert van vóór de overeenkomst van 23 juni 2004. Dat het hof dit niet heeft gezien als een beroep op uitvoeringshandelingen van na die overeenkomst, is dan ook allerminst onbegrijpelijk. Hier komt nog bij dat het hof in rechtsoverweging 3.22 tot de conclusie is gekomen dat niet is komen vast te staan dat Amarantis daadwerkelijk volledig op de hoogte was van de nevenfuncties van [eiser] en van de omvang van de daarmee verworven inkomsten.
tweede onderdeelbetoogt dat rechtens onjuist, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is het oordeel van het hof in de rechtsoverwegingen 3.21 tot en met 3.23. Die overwegingen luiden:
onder 2.2.1aan met het benoemen van de stellingen die door [eiser] in het kader van zijn beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid en op goed werkgeverschap zouden zijn ingenomen (de eerste alinea). Vervolgens wordt niet betoogd dat het hof deze stellingen niet heeft besproken terwijl het daartoe wel gehouden was. In plaats daarvan wordt geconcludeerd dat het oordeel van het hof ‘in dat kader’ getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat onbegrijpelijk is waarom een dergelijke handelswijze niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en evenmin waarom dit niet in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap zou zijn (de tweede alinea). Het subonderdeel betoogt vervolgens dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om iemand jaren in de veronderstelling te laten dat artikel 5 van Pro de overeenkomst van 23 juni 2004 slechts is bedoeld voor de situatie dat [eiser] daadwerkelijk per 1 augustus 2005 met vroegpensioen zou gaan, om dan vele jaren later aanspraak te maken op een enorm bedrag en dat, middels een beroep op verrekening, van het salaris in te houden en dat het andersluidende oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste maatstaf dan wel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is (de derde alinea). Tot slot betoogt het subonderdeel dat ook in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap het niet dadelijk melden van arbeidsrechtelijke consequenties, zeker als het gaat om het inhouden van loon, en vervolgens vele jaren later aanspraak maken op een bedrag door middel van het inhouden van loon (de vierde en vijfde alinea).
Waaromdit het geval is, licht het subonderdeel echter niet toe en blijkt ook niet evident uit het samenstel van arrest en cassatiedagvaarding. Daarbij geldt dat de enkele omstandigheid dat het oordeel van het hof niet in lijn is met het standpunt van [eiser] , voor een dergelijke conclusie uiteraard niet volstaat. In feite vraagt het subonderdeel om een herbeoordeling van het beroep van [eiser] op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid en op het beginsel van goed werkgeverschap zoals neergelegd in art. 7:611 BW Pro. Voor een dergelijke herbeoordeling is in cassatie echter geen plaats.
nietheeft aangevoerd dat het niet actief optreden tegen [eiser] verklaard kan worden door het feit dat hij jarenlang zelf voorzitter was van het College van Bestuur en dat de cultuur van het niet houden aan verplichtingen mogelijk lange tijd bij Amarantis als werkgever is blijven bestaan. [24] Dat betekent echter niet dat het hof zich schuldig heeft gemaakt aan schending van art. 24 Rv Pro. [25] Het stond het hof vrij om binnen de grenzen van de rechtsstrijd alle behoorlijk te zijner kennis gebracht en ten processe gebleken feiten en omstandigheden te betrekken bij de beoordeling van de vraag of [eiser] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Amarantis haar recht op opgave en verrekening niet (meer) geldend zou maken. Daarbij mocht het hof ook gevolgtrekkingen of afleidingen uit gebleken feiten en omstandigheden maken. [26]
Vervolgenspasseert het hof het door [eiser] gedane bewijsaanbod. Anders dan het middel aanvoert getuigt dat niet van een (verboden) prognose. Bij gebreke van voldoende specifieke stellingen was van een relevant bewijsaanbod immers geen sprake. Wat het hof overweegt over de getuigenverklaring van [betrokkene] is een overweging ten overvloede. Het hof brengt slechts tot uitdrukking dat niet alleen [eiser] onvoldoende heeft gesteld, maar dat ook uit de verklaring van [betrokkene] niet blijkt dat bij deze relevante wetenschap bestond. Naast het voorgaande geldt nog dat aan een bewijsaanbod in hoger beroep nadere eisen mogen worden gesteld indien, zoals in het onderhavige geval, reeds getuigen zijn gehoord. In een dergelijk geval zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. [27] Wanneer het hof de stellingen van [eiser] wel als voldoende specifiek had beoordeeld (of moeten beoordelen), zou de klacht dus nog geen doel treffen.
omvangvan de neveninkomsten). Dat is alleszins begrijpelijk en staat klaarblijkelijk mede in verband met hetgeen het hof vervolgens in rechtsoverweging 3.23 overweegt omtrent de voormalige positie van [eiser] als voorzitter van het College van Bestuur (vergelijk hiervoor onder 2.33).
derde onderdeelis met diverse klachten gericht tegen rechtsoverweging 3.26 en 3.27 van het arrest van het hof. Het hof overweegt daar en in de voorafgaande rechtsoverweging als volgt:
“waarbij de pensioenopbouw doorloopt”heeft betrekking op een verplichting om het pensioen in dezelfde mate te blijven opbouwen als dat voorheen, toen het ouderdomspensioen nog niet was ingegaan, was toegezegd. De verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 4 van Pro de overeenkomst van 23 juni 2004 vormen daarvan de concrete uitwerking.
onder 2.3.1allereerst dat het hof in rechtsoverweging 3.27 miskent dat een eenmaal gedane pensioentoezegging moet worden nagekomen en niet wordt doorbroken door een ontslag. Dit is slechts anders als partijen nadien anders zijn overeengekomen, hetgeen zich hier niet voordoet. Het hof miskent bovendien dat een eenmaal gedane onvoorwaardelijke pensioentoezegging moet worden nagekomen, ook indien het dienstverband vóór de pensioendatum wordt beëindigd, hetgeen te meer geldt indien ‘dit’ wordt gekoppeld met een vroegpensioen, aldus het subonderdeel.
onder 2.3.2is het hof op vier essentiële stellingen van [eiser] niet ingegaan. Het betreft de volgende stellingen:
onder 2.3.4dat het arrest van het hof innerlijk tegenstrijdig is waar het gaat om de rechtsoverwegingen 3.11 tot en met 3.20 enerzijds en rechtsoverweging 3.26 anderzijds. Dit omdat het hof in eerstgenoemde overwegingen ervan is uitgegaan dat de overeenkomst haar werking behoudt, ook al is [eiser] niet per 1 augustus 2005 met vroegpensioen gegaan, en in de laatstgenoemde overweging dat de overeenkomst niet haar werking behoudt, hoewel [eiser] niet per 1 augustus 2005 met vroegpensioen is gegaan.
vierde onderdeel(in de cassatiedagvaarding abusievelijk aangeduid als derde onderdeel) richt zich tegen het oordeel van het hof over de kwestie van de indexering van het pensioen. Zie de aanhaling van rechtsoverweging 3.27 in deze conclusie onder 2.42.
vijfde onderdeelbevat eveneens alleen voortbouwklachten.