Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2amiskent het hof hiermee, dat de stellingen van [eiser] niet inhouden dat de koopovereenkomst niet ontbonden zou zijn (doordat [verweerster] het beroep op de ontbindende voorwaarde heeft aanvaard of doordat [verweerster] en koper besloten aan de overeenkomst geen uitvoering te geven), maar inhielden dat ik elk geval een ‘perfecte koopovereenkomst’ is ontstaan (die daarna is ontbonden dan wel niet uitgevoerd) wat [verweerster] niet ontslaat van haar betalingsverplichting jegens [eiser].
subonderdeel 2bmiskent het hof met deze overweging ook dat uit het gegeven dat volgens [verweerster] en koper de overeenkomst is ontbonden, niet volgt dat [eiser] zich er niet op zou kunnen beroepen dat [eiser] zijn opdracht heeft vervuld doordat een ‘perfecte koopovereenkomst’ is ontstaan.
subonderdeel 2cgaat ervan uit, kort gezegd, dat de overeenkomst tussen [verweerster] en koper een ‘perfecte koopovereenkomst’ is geworden en daarmee [eiser] recht heeft op courtage, waarvan volgens het subonderdeel moet worden onderscheiden dat het [verweerster] in haar verhouding tot koper vrij staat om desondanks coulance te betrachten. Het subonderdeel faalt in het verlengde van de voorgaande klachten.
onderdelen 3, 4 en 5richten klachten tegen de slotzinnen van rov. 6, waarin het hof overweegt: “Dit klemt temeer nu koper in deze procedure geen partij is. Het hof kan niet treden in de rechtsverhouding tussen [verweerster] en koper en kan zeker niet, zoals [eiser] kennelijk wel beoogt, in de rechtsverhouding tussen [eiser] en [verweerster] uitgaan van een andere, volledig aan de standpunten van de partijen bij die rechtsverhouding tegenstrijdige, juridische vaststelling met betrekking tot het bestaan van de koopovereenkomst.”
onderdelen 7 en 8bevatten op de voorgaande onderdelen voortbouwende klachten die falen in het voetspoor daarvan.