ECLI:NL:PHR:2017:840

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2017
Publicatiedatum
31 augustus 2017
Zaaknummer
15/05003
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 267 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg bestanddeel 'ter zake van' in art. 267 Sr bij belediging ambtenaar

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte is veroordeeld voor eenvoudige belediging van politieambtenaren, waarbij het hof oordeelde dat de belediging 'ter zake van' de rechtmatige uitoefening van hun bediening was gepleegd.

De Hoge Raad onderzoekt de uitleg van het bestanddeel 'ter zake van' in art. 267 Sr Pro, dat een strafverhoging mogelijk maakt indien de belediging gericht is tegen een ambtenaar tijdens of ter zake van de rechtmatige uitoefening van diens bediening. De Raad stelt dat dit verband niet slechts op de hoedanigheid van ambtenaar ziet, maar op de uitoefening van diens functie.

Het hof had geoordeeld dat het voldoende was dat de ambtenaren in hun hoedanigheid als politieagenten werden beledigd, ook al was niet bewezen dat zij op dat moment wettelijke taken uitvoerden. De Hoge Raad oordeelt dat dit een onjuiste uitleg is, omdat het verband met de uitoefening van de bediening moet worden aangetoond.

Omdat het hof niet heeft bewezenverklaard dat de belediging tijdens de uitoefening van de bediening plaatsvond, vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. De conclusie van de advocaat-generaal was anders, maar het cassatiemiddel faalt uiteindelijk niet.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen wegens onjuiste uitleg van art. 267 Sr.

Conclusie

Nr. 15/05003
Zitting: 20 juni 2017
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 14 oktober 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is gekomen tot een bewezenverklaring van een belediging van een ambtenaar in functie.
3.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 26 november 2014 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3], ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid meerdere malen zijn middelvinger in de richting, van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft opgestoken en met de hand en de mond op en neer gaande pijpbewegingen heeft gemaakt in de richting van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3].”
3.3. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Gevoerd verweer
Zowel de advocaat-generaal als raadsvrouw heeft aangevoerd dat, nu niet bewezen kan worden verklaard dat de aangevers werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, de verdachte zal moeten worden vrijgesproken van dat onderdeel van het tenlastegelegde feit.
Anders dan de raadsvrouw en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de politieagenten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ten tijde van het ten laste gelegde ook 'terzake van de rechtmatige uitoefening' van hun bediening waren. Daarvan is immers ook sprake wanneer een verbalisant gedurende zijn vrije tijd beledigd wordt in zijn hoedanigheid van politieambtenaar. Daarvan is in casu sprake. De verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat hij de mensen die bij het uitroepen van de zaak ook opstonden herkende als politieagenten. De zaak waarvoor hij op dat moment terechtstond betrof een strafbaar feit tegen één van die agenten gepleegd.
Het hof verwerpt dan ook het verweer.”
3.4. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op de artikelen 266 en 267 Sr. Art. 266 lid 1 Sr Pro luidt:
“Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
Art. 267 Sr Pro houdt, voor zover van belang, in:
“De in de voorgaande artikelen van deze titel bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de belediging wordt aangedaan aan:
(…)
2°. een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
(…)”
3.5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat “het zo moge zijn dat, zoals het hof overweegt, er sprake is van een rechtmatige uitoefening van de bediening wanneer een politieagent in zijn vrije tijd wordt beledigd, maar dat dit onverlet laat dat de belediging moet zien op “de uitoefening van zijn functie” en dat het hof niet heeft gemotiveerd op welke wijze de belediging de rechtmatige uitoefening van de bediening in deze kwestie betreft”.
3.6. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat ontoereikend is gemotiveerd dat de verdachte [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft beledigd “ter zake van” de rechtmatige uitoefening van hun bediening stel ik voorop dat de woorden “ter zake van (etc.)” in art. 267 Sr Pro slechts aanwijzen wat tot de belediging aanleiding heeft gegeven. [1] Anders dan uit een conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga zou kunnen worden afgeleid betekent dit mijns inziens niet dat uit de bewijsvoering moet blijken dat de aanleiding voor de belediging de specifieke - rechtmatige - uitoefening van de bediening van de ambtenaar
zelfis, [2] maar slechts dat (de aanleiding tot) die belediging
een situatie betreft waarinde ambtenaar zijn bediening rechtmatig uitoefent. Als de wetgever wel een verdergaand verband tussen de aanleiding van de belediging en de (rechtmatige) uitoefening van de bediening van de ambtenaar zou eisen, zou i) dit tenlastegelegde bestanddeel zelden bewezen kunnen worden en ii) het verschil in betekenis tussen de beide in art. 267 sub Pro 2 Sr neergelegde omstandigheden “gedurende” respectievelijk “ter zake van” wel erg groot zijn, nu het woord “gedurende” immers slechts op een temporeel aspect wijst. [3] De belediging “ter zake van” moet kortom zien op de uitoefening van de functie van ambtenaar. [4] Het is dus ook, anders dan de politierechter in de onderhavige zaak meende, bij het bestanddeel “ter zake van (etc.)” niet van belang of de ambtenaar op het moment van belediging wettelijke taken uitvoerde. [5]
3.7. Gelet op het voorgaande heeft het hof, door te overwegen a) dat de verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde personen voorafgaande aan het plegen van het feit had herkend als politieagenten en b) dat de bewezenverklaarde beledigingen plaatshadden tijdens een terechtzitting in een strafzaak waarin de verdachte terechtstond wegens het plegen van een strafbaar feit tegen één van die agenten [6] , toereikend gemotiveerd dat de verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde politieagenten heeft beledigd “ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening”.
3.8. Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.A.J.M. Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 4 bij art. 267 Sr Pro, bijgewerkt tot 1 augustus 2005 (online versie).
2.Vgl. zijn conclusie van 4 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2012:BT7085.
3.Zie ook mijn oud-ambtgenoot Jörg in zijn conclusie van 18 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:ZD9754, par. 7, waar hij overweegt dat het woord “gedurende” meer op het temporeel aspect en de woorden “ter zake van” meer op het onderwerpelijk aspect van de ambtsbediening wijzen.
4.Zie ook A.L.J. Janssens, Tekst en Commentaar Strafrecht, aant. 7 bij art. 267 Sr Pro, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 1546.
5.De politierechter overwoog “dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het onderdeel “gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening” nu de ambtenaren van politie op dat moment geen wettelijke taken uitvoerden”. De politierechter veroordeelde de verdachte vervolgens voor “eenvoudige belediging” ex art. 266 Sr Pro.
6.Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat die agent [verbalisant 3] betreft.