ECLI:NL:PHR:2017:841

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2017
Publicatiedatum
31 augustus 2017
Zaaknummer
15/05058
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt afwijzing aanhoudingsverzoek wegens onvoldoende motivering en verwijst terug

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch de verdachte veroordeeld voor meerdere diefstallen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tijdens het hoger beroep verscheen de verdachte niet op de zitting, waarop zijn raadsman een verzoek tot aanhouding van de behandeling indiende vanwege het overlijden van een goede vriend van de verdachte bij een auto-ongeluk.

Het hof wees dit verzoek af met het oordeel dat het onvoldoende was onderbouwd en dat het hof zich onvoldoende geïnformeerd achtte over de precieze omstandigheden en de reden van afwezigheid. De raadsman had echter toegelicht dat de verdachte in een zware periode verkeerde en foto’s van het ongeval overgelegd.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het verzoek werd afgewezen en dat het hof niet heeft afgewogen tussen het belang van de verdachte bij aanwezigheid en het belang van een spoedige berechting. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij aanhoudingsverzoeken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 15/05058
Zitting: 20 juni 2017
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 28 oktober 2015 de verdachte - met vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde - ter zake van 1. “Diefstal door twee of meer verenigde personen”, 2. “Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, en 3. “Diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.S. Nan, advocaat te Den Haag, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
Het
middel
3.1. Het middel klaagt dat het hof het door de gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak op ontoereikende gronden heeft verworpen.
3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2015 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen. Voorts houdt dit proces-verbaal - voor zover van belang voor de bespreking van het middel - het volgende in:
“Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B.J. Visser, advocaat te Breda.
(…)
De voorzitter deelt voorts mede, dat -gezien de processtukken- blijkt van een op de bij de wet voorgeschreven wijze van dagvaarden van de verdachte tegen de terechtzitting van heden.
De oudste raadsheer deelt mede:
Wij constateren dat uw cliënt vandaag niet ter terechtzitting is verschenen. Dat verbaast ons zeer, aangezien u het hof bij faxbericht d.d. 6 oktober 2015 heeft verzocht om de zaak van uw cliënt niet gelijktijdig te behandelen met de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 1], gelet op de verstoorde relatie tussen hen. Het hof heeft uw verzoek ingewilligd en de zaak tegen uw cliënt is op een ander tijdstip ingepland, zodat partijen elkaar niet treffen. Nu blijkt dat uw cliënt vandaag niet is verschenen.
De raadsman deelt hierop mede:
Het leek mij inderdaad wijselijk om beide partijen uit elkaar te houden. Mijn cliënt is vandaag niet ter terechtzitting verschenen omdat hij afgelopen weekend een goede vriend heeft verloren bij een auto-ongeluk. Hij is door dit nieuws erg van slag. Mijn cliënt is niet de meest stabiele persoon en hij zit momenteel in een zware periode. Normaal gesproken is hij aanwezig bij de behandeling van een strafzaak, maar hij zit er nu helemaal doorheen. Ik zal aan het hof een aantal foto’s overleggen die ik van mijn cliënt heb ontvangen.
Ik ben gemachtigd om namens mijn cliënt de verdediging te voeren, maar ik wil het hof verzoeken om de zaak aan te houden. Hij wil graag aanwezig zijn bij de behandeling van zijn zaak.
Hierop overlegt de raadsman een aantal foto’s aan de voorzitter (noot griffier: deze foto’s zijn aan dit proces-verbaal gehecht).
De voorzitter deelt hierop mede:
U overlegt aan het hof een aantal foto’s van een aanrijding waarbij iemand om het leven is gekomen. Maar we weten niet wie dat is en in welke relatie hij tot verdachte staat.
De raadsman deelt hierop mede:
Ik heb mijn cliënt gevraagd om een nadere onderbouwing te geven, maar dit zijn de enige stukken die ik aan u kan overleggen. Mijn cliënt heeft mij verteld dat het gaat om een hele goede vriend.
Hierop onderbreekt de voorzitter het onderzoek en trekt het hof zich terug in raadkamer voor beraad. Na hervatting deelt de voorzitter mede:
Het hof heeft zich beraden. Het hof wijst het aanhoudingsverzoek af, nu dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Het hof wil op grond van de toelichting van de raadsman en de overgelegde foto’s wel aannemen dat iemand in de omgeving van de verdachte is overleden, maar wij achten ons onvoldoende geïnformeerd over de precieze omstandigheden en de reden waarom verdachte als gevolg van dit overlijden thans niet op de zitting aanwezig kan zijn.”
3.3. Blijkens dat proces-verbaal heeft het hof vervolgens de strafzaak in afwezigheid van de verdachte behandeld. De op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman heeft daarbij het woord tot verdediging kunnen voeren. Tenslotte heeft de voorzitter van het hof het onderzoek gesloten verklaard.
3.4. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. [1]
3.5. Het hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen op de grond dat het verzoek door de verdediging onvoldoende is onderbouwd. Het hof acht zich daarbij “onvoldoende geïnformeerd over de precieze omstandigheden en de reden waarom verdachte als gevolg van dit overlijden thans niet op de zitting aanwezig kan zijn.” 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting schiet echter tekort, nu daaruit niet kan blijken of het hof de hiervoor onder 3.4 bedoelde weging van belangen heeft gemaakt. Bovendien is voor zover het hof in zijn motivering een poging heeft gedaan in te gaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd, diens oordeel, in het licht van hetgeen is aangevoerd door de raadsman, niet zonder meer begrijpelijk. De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof immers ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte niet is verschenen omdat in het weekend voor de zitting een goede vriend van hem is omgekomen bij een auto-ongeluk, dat de verdachte daardoor erg van slag was en dat de verdachte op dat moment in een zware periode zat en niet de meest stabiele persoon is. Daarbij heeft de raadsman een aantal foto’s van het ongeval overgelegd. Voorts heeft de raadsman gesteld dat hij weliswaar door de verdachte is gemachtigd om de verdediging te voeren, maar dat de verdachte graag gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Ten overvloede teken ik nog aan dat de onderhavige zaak geen betrekking heeft op oude feiten [2] en dat geen sprake is geweest van eerdere aanhoudingen van de behandeling van de zaak. Het voorgaande brengt mee dat de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ontoereikend is gemotiveerd. [3]
3.6. Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. o.m. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1406 en HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:826.
2.De drie bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd op 1 oktober 2014.
3.Vgl. bijv. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:270, HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:622 en HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:974.