Conclusie
Hoor en wederhoor
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 4.1dat het hof in rov. 7 van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Volgens het onderdeel waren de grieven van de man niet gericht tegen het inleidende verzoek van de vrouw tot verdeling van de huwelijksgemeenschap als zodanig, noch tegen de ondeugdelijkheid van de boedelbeschrijving c.q. de onduidelijkheid van de stukken, maar op een volledige herbeoordeling en vaststelling van de gehele huwelijksgemeenschap in hoger beroep op de door de man nog voor te stellen wijze. Waar het hof van oordeel was dat het niet mogelijk was om op grond van de voorliggende stukken de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, had het hof volgens het onderdeel het verzoek van de man in hoger beroep behoren af te wijzen en de beschikking van de rechtbank, als door de man in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd bestreden, moeten bekrachtigen. Gelet op de grieven, stellingen en het verzoek van de man rustte op hem de stelplicht en bewijslast. Van de man mocht in het kader van art. 3:185 BW Pro worden verwacht dat hij het hof van voldoende gegevens zou voorzien om zijn beroep te kunnen beoordelen.
onder 4.2dat het hof bovendien buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de beschikking te vernietigen en het inleidende verzoek van de vrouw tot verdeling van de huwelijksgemeenschap alsnog af te wijzen. De grieven waren volgens het onderdeel niet gericht tegen het inleidende verzoek, noch tegen de ondeugdelijkheid of onduidelijkheid van de stukken. Andermaal stelt de vrouw dat het hof het beroep van de man had behoren te verwerpen en de beschikking van de rechtbank had moeten bekrachtigen. Het onderdeel klaagt
onder 4.2voorts dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd, nu niet duidelijk is met welke grieven de man naar ’s hofs oordeel met succes tegen de beschikking van de rechtbank is opgekomen.
onder 4.4raken de voorgaande klachten ook de overweging in rov. 7 dat het niet mogelijk is om op grond van de thans voorliggende stukken de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, noch de verdeling te gelasten en de daarop voortbouwende laatste zin.
“de overige grieven”, te weten de grieven II-VI, van de man heeft gegeven. Uit die grieven heeft het hof begrepen dat het hoger beroep van de man strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover die beschikking de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap betreft, omdat de man zich niet met de wijze van verdeling door de rechtbank kan verenigen. Die door het hof aan de grieven gegeven uitleg is niet onbegrijpelijk. Zo heeft de man zich in hoger beroep uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat
“(i)n dit hoger beroep (…) de verdeling van de gehele huwelijksgemeenschap volledig herbeoordeeld en vastgesteld (dient) te worden”(toelichting op grief VI).
onder 5.1subsidiair voorgesteld. Het onderdeel klaagt
onder 5.2over onbegrijpelijkheid van ’s hofs overweging (i) dat niet duidelijk is of het vennootschapsvermogen daadwerkelijk tussen partijen is verdeeld, (ii) dat niet duidelijk is of partijen een regeling hebben getroffen omtrent het voortzetten van de onderneming en (iii) dat de jaarrekening 2014 op bepaalde punten onbegrijpelijk is. De vrouw wijst erop dat uit de beschikking van de rechtbank van 3 juli 2014 volgt (i) dat partijen het erover eens zijn dat de ondernemingen aan de man zullen worden toebedeeld, (ii) dat partijen zich nog zullen uitlaten over de waarde van de ondernemingen, (iii) dat wat betreft de waardering van [B] (mede) zal worden uitgegaan van de definitieve jaarstukken 2013 en (iv) dat bij de verdeling van de ondernemingen de zakelijke bankrekeningen, de lease constructie bij Alphera Financial Services en de lening bij [D] B.V. in aanmerking worden genomen. De man heeft daartegen niet gegriefd. Volgens de vrouw valt zonder nadere uitleg, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof niet op basis van deze vaststaande feiten - al dan niet met de door de vrouw bij de rechtbank reeds ingediende vermogensopstelling - de verdeling van de huwelijksgemeenschap kon vaststellen. Bovendien heeft het hof de peildatum op 28 november 2013 [16] vastgesteld, zodat niet, althans niet zonder verdere motivering duidelijk is waarom de jaarrekening 2014 relevant zou zijn.
“de boedelbeschrijving”wordt gesproken over een eenmanszaak, terwijl uit de stukken blijkt dat van een vennootschap onder firma sprake is geweest en (ii) dat
“de boedelbeschrijving”niet deugdelijk is opgesteld, onbegrijpelijk is, omdat het hof niet duidelijk maakt op welke van de door beide partijen in het geding gebrachte boedelbeschrijvingen wordt gedoeld en omdat in de boedelbeschrijving van de vrouw wel degelijk van een vennootschap onder firma wordt uitgegaan.