Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleiding
2. Kosten deskundige bijstand
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Contractuele toezeggingen
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Waardevermindering
6. Wederbeleggingskosten
7. Bedrijfskosten en gemiste exploitatieopbrengsten
8. Belastingschade
9. Renteschade
10. Kosten deskundige bijstand
2. Kosten deskundige bijstand
2. Kosten deskundige bijstand
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Waardevermindering
6. Wederbeleggingskosten
7. Bedrijfskosten en gemiste exploitatieopbrengsten
8. Belastingschade
9. Renteschade
10. Kosten deskundige bijstand
2. Kosten deskundige bijstand
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Waardevermindering
6. Wederbeleggingskosten
7. Bedrijfskosten en gemiste exploitatieopbrengsten
8. Belastingschade
9. Kosten deskundige bijstand [3]
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Contractuele toezeggingen
7. Wederbeleggingskosten
8. Bedrijfskosten en gemiste exploitatieopbrengsten
9. Belastingschade
10. Kosten deskundige bijstand [4]
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
ne bis in idemgeldt in het civiele proces niet, [6] zodat het de vraag is of het verweer, als het tijdig zou zijn gedaan, op had kunnen gaan. Een ander verweer heeft in dit soort gevallen mogelijk meer kans van slagen, namelijk het verweer dat in het eerste cassatieberoep een berusting besloten lag wat betreft de onderdelen van de uitspraak waartegen het cassatiemiddel uit het eerste cassatieberoep zich niet richtte. [7]
eerste onderdeelis gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bijkomende schade. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank op dit punt als volgt overwogen:
economischeeigenaar wordt geleden, aan de juridische eigenaar moet worden vergoed (met opnieuw de bedoeling dat deze de schadeloosstelling één op één aan de economische eigenaar uitkeert). [10] Aldus is, zo zou men kunnen zeggen, een figuur ontstaan die zich laat vergelijken met het geval van een lastgever die op eigen naam met een derde heeft gecontracteerd. Zoals de lasthebber in dat geval ten opzichte van de derde in geval van tekortkoming aanspraak heeft op vergoeding van de schade die de
lastgeverals gevolg van de tekortkoming heeft geleden (art. 7:419 BW Pro), [11] zo ook heeft de juridische eigenaar ten opzichte van de onteigenaar aanspraak op vergoeding van de bijkomende schade die door de
economische eigenaarwordt geleden. En zoals in geval van lastgeving de bedoeling daarvan is dat de door de lasthebber aldus te ontvangen schadevergoeding aan de lastgever ten goede zal komen, zo ook is het de bedoeling dat de door de juridische eigenaar te ontvangen schadeloosstelling bij de economische eigenaar terechtkomt. Heeft de economische eigenaar zijn positie met een hypotheekrecht versterkt, dan kan ook een faillissement van de juridische eigenaar niet verhinderen dat dit beoogde resultaat inderdaad wordt bereikt.
alzijn schade, zowel de werkelijke waarde als bijkomende schade. Weliswaar ontvangt de economische eigenaar deze schadeloosstelling niet rechtstreeks van de onteigenaar, maar dat verandert niets aan het resultaat, een resultaat dat ook geheel en al is beoogd. Aan de economische eigenaar kan niet worden tegengeworpen dat het bestaan van het gebruiksrecht ertoe leidt dat de werkelijke waarde lager is dan zonder dat recht. [17] Bij gelegenheid van zijn overeenkomst met de verkoper heeft de economische eigenaar immers goed voor zichzelf gezorgd en bedongen dat het gebruiksrecht ingeval van onteigening eindigt. Voor zover dit al niet in een uitdrukkelijk beding is opgenomen, zal uitleg aan de hand van hetgeen partijen redelijkerwijs hebben moeten begrijpen en verwachten (de Haviltexmaatstaf) tot hetzelfde resultaat leiden. De bedoeling van partijen was slechts een voortgezet gebruik door de verkoper dat de ontwikkelaar
nietin de weg zit en niet een recht waarmee de ontwikkelaar zich duchtig in de vingers heeft gesneden. Volgens de hiervoor bedoelde formeel-juridische redenering kan de juridische eigenaar jegens de onteigenaar echter niettemin aanspraak maken op vergoeding van de schade die het gevolg is van het wegvallen van zijn gebruiksrecht. Dat aldus de onteigenaar zowel de juridische eigenaar als de economische eigenaar schadeloos zou moeten stellen voor de door ieder van hen geleden bijkomende schade is mijns inziens een niet beoogd en ook ongewenst bijeffect van de erkenning van de positie van de economische eigenaar.
Onder aen
onder bis de klacht allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de vergoeding (koopprijs) die [eiser] destijds heeft ontvangen voor de levering van het perceel (met het recht van voortgezet gebruik) een andere is dan de vergoeding van de schade die [eiser] lijdt omdat hij als gevolg van de onteigening het gebruik van het perceel niet kan voortzetten. Het oordeel van de rechtbank zou daarom rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn. Bovendien is – zo voert het onderdeel aan
onder c– dit oordeel onvoldoende gemotiveerd, gelet op de door [eiser] ingenomen essentiële stellingen. Hieraan doet niet af de overweging van de rechtbank dat [eiser] niet meer dan een persoonlijk gebruiksrecht heeft, zo betoogt de steller van het middel
onder d.
onder een daaropvolgend geformuleerde klachten met betrekking tot omrijschade en belastingschade. Ook van die vormen van door hemzelf geleden bijkomende schade – evenzeer veroorzaakt door het eindigen van zijn recht van voortgezet gebruik – kan [eiser] , als louter juridisch eigenaar, geen vergoeding vorderen. Alleen de schade van de economische eigenaar komt in aanmerking.
tweede onderdeelbetreft voortbouwklachten die geen afzonderlijke bespreking behoeven.
4.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatiemiddel
onder 1.3 [23] met een motiveringsklacht. Het onderdeel betoogt dat de rechtbank geen afweging op basis van de relevante omstandigheden van het geval heeft gemaakt en dat zij daarmee op een onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de regel dat de vraag of eliminatie moet plaatsvinden afhangt van de omstandigheden van het geval. De rechtbank baseert haar oordeel immers op een aantal door de deskundigen benoemde bijzondere aspecten van een tracébesluit (geciteerd door de rechtbank in rechtsoverweging 2.8), maar deze aspecten zien allemaal op de aanwending dan wel regulering van planologische bevoegdheden om een autoweg planologisch mogelijk te maken en brengen niet mee dat een tracébesluit als het plan voor het werk als bedoeld in artikel 40c Ow moet worden beschouwd, aldus het onderdeel.
onder 2.1heeft de rechtbank miskend dat de advocaatkosten zien op drie samenhangende zaken. De rechtbank had in alle drie deze zaken in beginsel slechts een derde deel van het thans toegewezen bedrag moeten toewijzen. In ieder geval valt niet in te zien waarom in elk van de drie zaken het toegewezen bedrag moet worden toegekend, nu de proceshandelingen in deze zaken steeds gelijk zijn geweest, aldus het onderdeel.
driezaken dient te worden betaald. Integendeel moet ervan worden uitgegaan dat de rechtbank het totaal van de in de drie zaken toegewezen bedragen met de dubbele redelijkheidstoets in overeenstemming achtte. Dit kennelijke oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.