Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Inzake de Liebherr-kranen
Avi Cranes has agreed with [verweerster] to sell the cranes to him for the same sales price and under the equivalent selling and delivery conditions as Liebherr has agreed with Avi Cranes.
They asked if the rumors which we sold the crane in the market is true. I told Liebherr the crane is being leased to a company in Dubai.
Please pay attention and do not offer the crane in the market. It is not right.’
If I don’t take the crane for my own use they will cancel the order (…). I am not in position now to pay this crane and take it to myself.’
Standard ok – but what is most convenient and fast – is ok for me’.
Thanks’
As Bare Lease ?
I don’t have a specific job for the crane in Israel so if you have / know a job for the crane I prefer that it will stay to work in Europe.’
Can we rent in Dubai
Or damman or Egypt
If sane shipping line do one of those port – best is Dubai – very good party I can rent emmidiatly
And people pay correct -
Then you can take it when you need’
2.Inleidende beschouwingen naar aanleiding van het principaal beroep
ten tijde van de normschending). Uiteraard bestaat er geen enkele reden om ook dat voor de toepassing van het Nederlandse recht over te nemen. Art. 6:98 BW Pro biedt alle ruimte om (naast de voorzienbaarheid ten tijde van de normschending) ook aan andere gezichtspunten die voor een verdere beperking in de toerekening pleiten, een plaats te geven. Tot die andere gezichtspunten behoort onder meer de aard van de activiteit waarbij de schade is toegebracht. [12] Bijvoorbeeld de omstandigheid dat iemand als vrijwilliger, dus zonder beloning, de schade heeft veroorzaakt, pleit mijns inziens veelal voor een beperkte toerekening, ook voor zover deze vrijwilliger in een contractuele relatie ten opzichte van de gelaedeerde partij stond.
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
eerste onderdeelvan het middel in het principaal beroep heeft betrekking op het oordeel van het hof omtrent de Liebherr-kranen en richt zich met vijf subonderdelen tegen rechtsoverweging 19 van het arrest van het hof, alwaar het hof als volgt heeft overwogen:
subonderdeel 1.1klaagt het middel dat het hof aldus een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, nu het hof voor de vraag of de schade aan [verweerster] kan worden toegerekend beslissend laat zijn of deze schade voor [verweerster] voorzienbaar was; het hof zou de adequatieleer hebben toegepast.
ondanks veelvuldig aandringen, en dat dit tot toerekening van de geleden schade behoort te leiden, althans dat het hof had moeten motiveren waarom het daartoe niet leidt.
subonderdeel 1.3is door Avi onbetwist aangevoerd (i) dat voor [verweerster] te verwachten viel dat ook Avi baat zou hebben bij de koopovereenkomst met [verweerster], (ii) dat gebruikelijk is dat zulks in de vorm van een commissie of anderszins zou gaan en (iii) dat voor [verweerster] redelijkerwijs te voorzien was dat Avi schade zou lijden bij het niet doorgaan van de koopovereenkomst. Volgens het subonderdeel had het hof op grond van art. 149 lid 1 Rv Pro deze feiten als vaststaand dienen te beschouwen.
tweede onderdeelheeft betrekking op de Sennebogen-kraan en is gericht tegen rechtsoverweging 39 van het arrest van het hof, waarin het hof – na te hebben vastgesteld dat [verweerster] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden – als volgt overweegt:
subonderdeel 2.1klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat [verweerster] niet uit eigenbelang heeft gehandeld onbegrijpelijk is, omdat door Avi is gesteld dat zij met [verweerster] een commissie van 10% van de huurpenningen is overeengekomen en deze stelling door het hof niet is verworpen.
in dat verbandechter niet langer in het midden laten of Avi en [verweerster] een commissie van 10% waren overeengekomen (zoals Avi had gesteld) of niet. Dat heeft het hof echter wel gedaan, wat zijn oordeel inderdaad onbegrijpelijk maakt.
subonderdelen 2.2-2.5liggen in elkaars verlengde. Subonderdeel 2.2 voert aan dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de verhouding tussen art. 6:98 BW Pro en art. 6:109 BW Pro. De andere subonderdelen klagen er alle over, elk vanuit een iets ander perspectief, dat het oordeel van het hof onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd, dan wel in andere zin van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft.
4.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
subonderdeel 1ais het hof ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, voorbijgegaan aan het door [verweerster] bij conclusie van repliek gedane beroep op ontbinding van de koopovereenkomst wegens een voorafgaande wanprestatie van Avi, bestaande uit het verzwijgen van de door Avi bij Liebherr bedongen korting van 2,5%. Indien dit beroep slaagt, vormt dit volgens het subonderdeel een grondslag voor de door [verweerster] gevorderde gederfde winst en brengt het ook mee dat [verweerster] van haar betalingsverplichtingen jegens Avi is bevrijd.
ontbinding– en niet mede aan de vordering tot vergoeding van de door [verweerster] gederfde winst ad € 300.000,—.
dezelfdenorm. Ten slotte wijs ik erop dat de opvatting van het middel volgens welke de norm van een goed opdrachtnemer soms wel en soms niet in termen van een maatman mag worden uitgedrukt, als nadeel heeft dat wat betreft iedere beroepsgroep of -activiteit (en eventueel ook wat betreft iedere bedrijfsactiviteit) over de juiste formulering van de norm tot in cassatie zou kunnen worden gestreden. Dat is een hoge prijs voor een verschil in formulering zonder duidelijke praktische betekenis.
subonderdelen 3b-3cproberen uw Raad te verleiden tot een herbeoordeling van het oordeel van het hof dat [verweerster] in haar zorgplicht is tekortgeschoten, overigens zonder duidelijk te maken of een rechtsklacht dan wel een motiveringsklacht is bedoeld. Beide subonderdelen doen het voorkomen alsof hetgeen het hof heeft geoordeeld omtrent de door [verweerster] te betrachten zorg niet juist kan zijn omdat het niet onder alle omstandigheden juist is. Dat is uiteraard geen valide redenering. Het hof is niet uitgegaan van vaste regels, maar heeft een oordeel gegeven op basis van zijn waardering van de omstandigheden van het individuele geval. Dat oordeel is verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. De beide subonderdelen falen.
meendeop de tekeningsbevoegdheid van Sarlan te mogen vertrouwen, ten onrechte op dat het hof mogelijk meende dat niet van belang is of [verweerster]
gerechtvaardigdheeft vertrouwd. Daarvoor zie ik geen enkele reden. In de formulering van te
mogenvertrouwen, ligt het normatieve karakter van het vertrouwen besloten. Voor het overige strekt ook dit subonderdeel tot een herbeoordeling van ’s hofs waarderingen van feitelijke aard. Opnieuw meen ik dat daarvoor geen plaats is. Het subonderdeel faalt.
subonderdeel 3eberoept [verweerster] zich erop dat het hof in rechtsoverweging 34 heeft overwogen dat sprake was van een voor partijen atypische, uitzonderlijke constructie. Volgens het subonderdeel behoefde ’s hofs oordeel in verband daarmee een nadere motivering.
subonderdeel 3g, zijn voortbouwklachten en behoeven geen afzonderlijke bespreking.
5.Conclusie
de Hoge Raad der Nederlanden