Conclusie
1.Feiten en procesverloop
dezeverrekeningsafspraak had willen houden, had het op zijn weg gelegen om de facturering en de betalingen over 2008 en 2009 ongedaan te maken, aangezien deze niet strookten met de destijds tussen partijen gemaakte afspraak hierover.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste subonderdeel(
nrs. 10-11) ziet op rov. 7.3-7.6 van TA2 en richt een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel dat het niet opgaan van het beroep op de verrekeningsafspraak als consequentie heeft dat het verweer tegen de stelling dat [eiser] aansprakelijk is op grond van ongerechtvaardigde verrijking niet opgaat, voor zover het hof daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat [eiser] en [betrokkene 1] geen andere feiten en omstandigheden hebben gesteld als verweer tegen de vordering van Encare op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Het subonderdeel wijst erop dat [eiser] zich ten verwere tegen de ongerechtvaardigde verrijkingsvordering niet alleen heeft beroepen op de verrekeningsafspraak, maar ook op de volgende stellingen: [6]
derde subonderdeel(
nr. 13) heeft het hof de devolutieve werking van het appel miskend, dan wel zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, waar het in rov. 7.6 van TA2 oordeelt dat [eiser] en [betrokkene 1] geen overige feiten of omstandigheden hebben gesteld die op grond van de devolutieve werking van het appel aan de orde zouden moeten komen en tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
tweede subonderdeel(
nr. 12) bevat twee klachten. Voor zover het oordeel van het hof in rov. 7.3-7.6 van TA2 aldus moet worden begrepen dat met het niet opgaan van het op de verrekeningsafspraak gebaseerde verweer, ook het beroep van [eiser] op de kwijtingsovereenkomst niet opgaat, is dit oordeel onjuist omdat het ene het andere onverlet laat.
eerste en derde subonderdelen(
nrs. 11 en 13). Ook nu ervan moet worden uitgegaan dat [betrokkene 1] de koper is gebleven (rov. 4.1 van TA1) en jegens Encare zijn aandeel in de bouwkosten zou moeten dragen (rov. 7.3 van TA 2), kunnen de in het in eerste subonderdeel bedoelde stellingen meebrengen dat de op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering van Encare op [eiser] niet (volledig) toewijsbaar is. [9]
de afspraak tussen Encare en [betrokkene 1] dat diens managementvennootschap (…) de haar toekomende managementfee over 2008 en 2009 niet zou factureren en dat het bedrag aldus verrekend zou worden met het aandeel van [betrokkene 1] in de bouwkosten.” Daarmee heeft het hof het oog op de stelling (c), maar niet op stelling (a) en (b). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom in het geval dat Encare en [betrokkene 1] zouden hebben afgezien van de voorgenomen wijze van betalen (verrekening), dit met zich brengt dat ook de onder (a) en (b) aangeduide route van betaling zou wijzigen, mede gezien het feit dat uit het bestreden arrest niet volgt dat [eiser] betrokken was bij de gedragingen waaruit het hof heeft afgeleid dat partijen de oorspronkelijk afgesproken verrekening hebben laten varen.
tweede subonderdeel(
nr. 12), die uitgaan van een andere lezing van TA2, falen daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.
nr. 15onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, kort gezegd, omdat daarin geen rekening is gehouden met de door [eiser] gestelde betalingen van € 244.164 aan de managementvennootschap, waarmee zijn verrijking is verminderd.
nr. 16) bevat uitsluitend een op de onderdelen 1 en 2 voortbouwende klacht, die in het voetspoor van deze klachten slaagt. Het slagen van deze onderdelen brengt immers mee dat opnieuw over de gegrondheid en, zo nodig, de omvang van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking moet worden geoordeeld.
nr. 17ziet niet zozeer op de aansprakelijkheid, als wel op de hoofdelijkheid. Volgens de klacht is niet voldaan aan de eisen die de wet aan hoofdelijkheid stelt op grond van de artikelen 6:6 en 6:102 BW. Er is, zo betoogt het onderdeel, immers geen sprake van dat [betrokkene 1] en [eiser] beiden een prestatie verschuldigd zijn aan Encare in de zin van artikel 6:6 BW Pro omdat uitsluitend [betrokkene 1] op grond van de bouwovereenkomst met Encare verplichtingen had jegens Encare; [eiser] was bij deze overeenkomst geen partij en diende slechts betalingen te verrichten aan [betrokkene 1] of diens vennootschappen. Evenmin is sprake van aansprakelijkheid voor dezelfde schade in de zin van artikel 6:102 BW Pro omdat [betrokkene 1] geen schadevergoedingsplicht heeft jegens Encare, maar uitsluitend een betalingsverplichting op grond van de bouwovereenkomst, aldus het onderdeel.