ECLI:NL:PHR:2017:944

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2017
Publicatiedatum
25 september 2017
Zaaknummer
16/01682
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 36e lid 1 SrArt. 36b Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat ontnemingsvordering gebaseerd moet zijn op veroordeling in hoofdzaak

In deze zaak stond de vraag centraal of een ontnemingsvordering kan worden afgewezen op grond van een verweer tot ontslag van alle rechtsvervolging, terwijl in de hoofdzaak reeds een veroordeling is uitgesproken. De verdediging stelde subsidiair dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen omdat cliënt zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat voor het opleggen van een ontnemingsmaatregel vereist is dat de verdachte in de hoofdzaak is veroordeeld.

De Hoge Raad benadrukt dat het verweer tot ontslag van rechtsvervolging niet in de ontnemingszaak, maar in de hoofdzaak thuishoort. Omdat in de hoofdzaak een veroordeling is uitgesproken, moet de ontnemingsrechter daarvan uitgaan. Het middel van de verdediging faalt daarom en wordt verworpen. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de bestreden uitspraak te vernietigen.

Het hof Arnhem-Leeuwarden had eerder de uitspraak van de rechtbank Gelderland bevestigd, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op € 80.500,- en de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan de Staat. Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene. De Hoge Raad concludeert dat de ontnemingsvordering terecht is toegewezen en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering tot betaling van € 80.500,- aan de Staat.

Conclusie

Nr. 16/01682 P
Zitting: 27 juni 2017
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 23 maart 2016 de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 23 april 2013 bevestigd. Daarbij is het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 80.500,- en is de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Deze zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (16/01681), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de betrokkene is cassatieberoep ingesteld en heeft mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op een door de verdediging in hoger beroep naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden afgewezen.
Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota blijkt dat de raadsvrouwe van de betrokkene, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende naar voren heeft gebracht:
“De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Nu de Hoge Raad in zijn arrest van 12 oktober 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO3233) heeft benadrukt dat uit het Wetboek van Strafvordering volgt dat voor het opleggen van een straf of maatregel in de regel vereist is dat de verdachte wordt veroordeeld - dat wil zeggen dat de rechter het feit bewezen en strafbaar en de verdachte strafbaar acht - en deze voorwaarde ook terug te vinden is in artikel 36e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht verzoek ik u subsidiair eveneens de vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel af te wijzen. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest van 12 oktober 2004 weliswaar opgemerkt dat voor het opleggen van sommige maatregelen geen veroordeling nodig is, waarbij als voorbeeld onttrekking aan het verkeer in de zin van artikel 36b Sr wordt genoemd, maar de Hoge Raad benadrukt in diezelfde rechtsoverweging, te weten r.o. 5.3, dat artikel 36e lid 1 Sr voor het kunnen opleggen van een ontnemingsmaatregel vereist dat de verdachte is veroordeeld.”
6. Voor zover het in het middel bedoelde verweer ertoe strekt dat de betrokkene dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, hoort het in de hoofdzaak en niet in de ontnemingszaak thuis. Voor zover het verweer ertoe strekt dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen in verband met een ontslag van alle rechtsvervolging, had het geen kans van slagen, omdat in de hoofdzaak een veroordeling is gevolgd, waarvan de ontnemingsrechter zal moeten uitgaan. Aldus is de uitroep van Daland in Wagners Fliegende Holländer van toepassing: “Wer baut auf Wind, baut auf Satans erbarmen”. [1] Het middel is gedoemd te stranden. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.R. Wagner, Der Fliegende Holländer, eerste bedrijf.