Conclusie
[verdachte]
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak werd verdachte vervolgd voor twee feiten: rijden onder invloed en het niet beschikken over een geldig rijbewijs. Het hof sprak verdachte vrij van het tweede feit en veroordeelde hem voor het eerste tot een geldboete en rijontzegging. Verdachte stelde dat het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat hij op een e-mail van de advocaat-generaal (AG) mocht vertrouwen waarin stond dat de zaak zou worden beëindigd.
De Hoge Raad overwoog dat de e-mail van de AG slechts betrekking had op het feit van het ongeldig rijbewijs en niet op het rijden onder invloed. Het hof had terecht geoordeeld dat verdachte er niet op mocht vertrouwen dat de gehele zaak zou worden beëindigd. De Hoge Raad bevestigde dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden en dat het OM bevoegd was de vervolging voort te zetten.
De zaak illustreert de restrictieve toetsing van de Hoge Raad aan het vertrouwensbeginsel bij vervolging, waarbij alleen in uitzonderlijke gevallen een niet-ontvankelijkheid wordt aangenomen. De ernst van het feit en de context van de communicatie spelen een belangrijke rol bij de beoordeling van het gerechtvaardigd vertrouwen van de verdachte.
Uitkomst: Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM wegens een toezegging tot beëindiging van de zaak is verworpen; verdachte blijft veroordeeld voor rijden onder invloed.