Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het verweer van de verdediging ten aanzien van het uitgangspunt van winstmaximalisatie bij het telen van hennep.
tweede middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, behelst kennelijk de klacht dat het hof in strijd met het in art. 6 EVRM Pro neergelegde recht op een eerlijk proces bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook de inkomsten van de betrokkene uit de van de hennep gemaakte foto’s (royalty’s) heeft betrokken, terwijl de verdediging haar verweer daarop niet heeft kunnen inrichten.
derde middelbehelst kennelijk de klacht dat het hof in strijd met artikel 511e Sv in verbinding met art. 341, vierde lid, Sv het wederrechtelijk verkregen voordeel op één bewijsmiddel heeft gebaseerd.
vierde middelbehelst, als ik het goed begrijp, [11] de klacht dat het hof in strijd met de vrijheid van meningsuiting en het recht om inlichtingen te verstrekken en te ontvangen als bedoeld in art. 10 EVRM Pro de inkomsten uit de gemaakte foto’s als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft aangemerkt. Daartoe voert de steller van het middel aan dat het hof, door deze inkomsten als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken, het feitelijk onmogelijk maakt om beroepsmatig foto’s te maken van hennep. Daarmee zou de overdracht van kennis over hennep onmogelijk worden gemaakt, terwijl die kennisoverdracht van groot maatschappelijk belang is voor de verbetering van medicinale en gedoogde commerciële wiet. Voorts zou voor de gemaakte inbreuk geen rechtvaardigingsgrond bestaan, omdat het gebruik van cannabis in Nederland wordt gedoogd.
vijfde middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat eigen medicinaal gebruik van hennep als wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van art. 36e Sr geldt.