Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
“deugdelijke en verifieerbare informatie omtrent de eigendomsverhoudingen in F&S Luxembourg (Investholding) S.A. te verschaffen zodat met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld of [eiser] wel of niet als een meerderheidsaandeelhouder van Zermatt heeft te gelden”.
3.De bespreking van de cassatiemiddelen
bestuurdie art 1:88 lid 5 BW Pro stelt. Het onderdeel verwijst in dit verband naar HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7513,
NJ2004/173, waarin de Hoge Raad het volgende heeft overwogen:
. Is aan al deze voorwaarden voldaan, dan moeten de eisen van een vlot verlopend handelsverkeer zwaarder wegen dan het op zichzelf eveneens respectabele belang van bescherming van de niet-handelende echtgenoot van de borg. De argumenten op grond waarvan de wetgever de desbetreffende bepaling heeft ingevoerd, gelden immers in gelijke mate voor het geval de handelende persoon rechtstreeks bestuurder en aandeelhouder van de desbetreffende vennootschap is, als wanneer zulks het geval is via een of meer door deze (mede) gecontroleerde vennootschappen, die als tussenschakel fungeren. De bewoordingen waarin art. 1:88 lid 5 is Pro gesteld geven aan deze uitleg weliswaar geen steun, maar aangenomen moet worden dat zij zich daartegen evenmin verzetten, aangezien de wetgever blijkens de op deze bepaling gegeven toelichting, gevallen als de onderhavige niet in zijn overwegingen heeft betrokken. Evenmin kan worden gezegd dat de rechtszekerheid door deze uitleg in de knel komt.” [3]
zeggenschaphad over het handelen van Zermatt. Voorts heeft het hof aangenomen dat [eiser] ten tijde van het aangaan van de leenovereenkomst voor meer dan 50% (indirect) aandeelhouder was van Zermatt (zie rov. 2.7 van het eindarrest van 8 maart 2016). Hieruit volgt dat [eiser] ook een financieel belang had bij het handelen van Zermatt. Het staat dus (in cassatie) vast dat [eiser] als bestuurder
zeggenschaphad over en als aandeelhouder
financieel belanghad bij het handelen van Zermatt. Dit betekent dat [eiser] bestuurder is van een besloten vennootschap die de meerderheid der aandelen houdt in de zin van art. 1:88 lid 5 BW Pro (zie rov. 2.9.1 van het eindarrest van 8 maart 2016). Hieraan doet mijns inziens niet af dat de ‘mogelijkheid’ (zie p. 6 van de cassatiedagvaarding) bestaat dat [eiser] niet de bestuurder was van ‘de tussengeschakelde vennootschappen’ (waarvan hij, naar het hof heeft aangenomen, wel voor meer dan 50% aandeelhouder was). Uit de wetsgeschiedenis volgt immers dat het, voor de toepassing van de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW Pro, gaat om de ‘combinatie van zeggenschap en financieel belang’. [4] Die combinatie was bij [eiser] , gelet op de door het hof vastgestelde feiten, aanwezig. Het hof heeft dus, anders dan het onderdeel klaagt, niet miskend “dat ook ten aanzien van tussengeschakelde vennootschappen voldaan moet zijn aan de eis van
bestuur”. Niet valt in te zien waarom voor de toepassing van de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW Pro de eis zou moeten worden gesteld dat [eiser] óók nog eens – dat wil zeggen naast zijn functie als bestuurder van Zermatt en naast zijn rol als (indirecte) meerderheidsaandeelhouder van Zermatt met de daarbij behorende zeggenschap – bestuurder van de moedervennootschap van Zermatt dient te zijn. Dit door het onderdeel gestelde vereiste volgt niet zonder meer uit HR 11 juli 2003,
NJ2004/173. Hetgeen de Hoge Raad overweegt in rov. 3.6 van dit arrest (“Wél dient ook ten aanzien van de eventueel tussengeschakelde vennootschappen te zijn voldaan aan de eisen van bestuur en aandeelhouderschap die art. 1:88 lid 5 BW Pro stelt”) moet worden gelezen in de feitelijke context van dat arrest. De bij [eiser] zich voordoende combinatie van zeggenschap en financieel belang is in het onderhavige geval toereikend.
subonderdeel 1.1bfaalt, omdat de eis van bestuurderschap voor tussengeschakelde vennootschappen niet zo strikt geldt als het middel veronderstelt. Hierop loopt ook de klacht van
subonderdeel 1.1cvast.
NJ2011/30.
ingewikkelde, gecompliceerde structuur, zodat art. 1:88 lid 5 BW Pro niet van toepassing is. M.i. heeft het hof dit niet miskend. Om deze reden heeft het hof [eiser] gevraagd duidelijkheid te verschaffen. Hierin is [eiser] niet geslaagd.
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door [eiser] niet in de gelegenheid te stellen om te reageren op de door CFNR voor het eerst bij antwoordakte ingenomen stelling dat het zeer wel mogelijk is “dat [betrokkene 6] slechts ‘nominee stockholder’ van de beide genoemde vennootschappen was en dat achter hem (een) daadwerkelijke aandeelhouder(s), zoals [eiser] , schuil ging(en)”.
het beroep van zijn voormalige echtgenote op) art. 1:88 BW Pro (zie rov. 2.10 van ‘s hofs tussenarrest van 27 oktober 2015 en rov. 2.7 van het eindarrest van 8 maart 2016). Het hof wijdt in het tussenarrest van 27 oktober 2015 overwegingen aan dit door [eiser] ingenomen standpunt. Het hof geeft in rov. 2.14 opdracht aan [eiser] om
deugdelijke en verifieerbare informatieomtrent de eigendomsverhoudingen in F&S Luxembourg S.A. te verschaffen zodat met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld of [eiser] wel of niet als meerderheidsaandeelhouder van Zermatt heeft te gelden. De reden voor deze opdrachtverlening aan [eiser] ziet het hof in de hiernavolgende, door partijen ingenomen stellingen:
in het licht van het voorgaande, na de door het hof gegeven opdracht, de enkele overlegging door [eiser] van uittreksels uit het Engelse handelsregister ten enenmale onvoldoende is. Het hof overweegt dat, zoals CFNR aanvoert (in de antwoord-akte), het zeer wel mogelijk is dat [betrokkene 6] slechts ‘nominee stockholder’ van de Seline vennootschappen was en dat achter hem (een) daadwerkelijke aandeelhouder(s), zoals [eiser] , schuil ging(en).
hetgeen onder 2.4.2 is opgesomd, de conclusie is gerechtvaardigd dat [eiser] informatie, waarom het hof uitdrukkelijk had gevraagd, (al dan niet bewust) heeft achtergehouden. De woorden ‘al dan niet bewust’ zijn door het hof tussen haakjes geplaatst; ik leid hieruit af dat het hof niet uitsluit dat [eiser] een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
hooren
wederhoor. Hierna heeft het hof een oordeel gegeven over het door [eiser] aangedragen bewijs, bestaande uit enkel uittreksels uit het Engelse handelsregister. In dit verband heeft het hof verwezen naar hetgeen het hof onder rov. 2.4.2 van het arrest heeft opgesomd, alsmede naar de stelling van CFNR dat het zeer wel mogelijk is dat [betrokkene 6] slechts ‘nominee stockholder’ van de Seline vennootschappen was. Mijns inziens was het hof niet gehouden om [eiser] te horen over de door CFNR in het kader van het wederhoor gestelde mogelijkheid. Het hof heeft mogen volstaan met het horen van beide partijen over de onderhavige kwestie en heeft vervolgens, gelet op zijn taak, een oordeel te vellen en rechtsgeschillen te beslechten, het door [eiser] aangedragen bewijs mogen afwegen.
subonderdeel 2.2en de voortbouwklacht in
subonderdeel 2.3delen het lot van de rechtsklacht in subonderdeel 2.1. Deze klachten treffen dus evenmin doel.
NJ2000/689 (Soetelieve/Stienstra), m.nt. W.M. Kleijn) overweegt de Hoge Raad het volgende:
RvdW2009/108:
subonderdeel 4.1klaagt dat het hof heeft miskend dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een daaraan voorafgaande mondelinge behandeling, in beginsel gegeven behoort te worden door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling plaatsgevonden heeft, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing en dat indien tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak of de op deze uitspraak volgende uitspraak vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt, het gerecht dit aan partijen mee dient te delen, opdat partijen dan de gelegenheid hebben om een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen. Het onderdeel voert aan dat hieraan niet afdoet hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald rov. 3.7.3 van HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, omdat de in deze rechtsoverweging gemaakte afweging in strijd is met art. 6 EVRM Pro. [7] Voorts voert het onderdeel aan dat het hof eerder mededeling had moeten doen van de ‘rechterswisseling’, omdat partijen
voordatuitspraak met een nieuwe rechter gedaan wordt, in elk geval de mogelijkheid moeten hebben om het gerecht te verzoeken om een nieuwe/nadere mondelinge behandeling.
subonderdeel 4.3treft geen doel, omdat het uitgaat van een oordeel dat het hof niet heeft gegeven.