Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel I.1heef het hof in rov. 7 en 10 miskend, dat in de beschikking van de kinderrechter in rechte is vastgesteld dat aan het “klem of verloren”-criterium als bedoeld in art. 1:253c lid 2 aanhef en onder a BW is voldaan. De rechtsklacht strekt ertoe, zo begrijp ik, dat het hof heeft miskend dat aan de bedoelde overweging in de beschikking van de kinderrechter gezag van gewijsde toekomt in de onderhavige procedure. Op grond van art. 236 Rv Pro hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Dit gezag van gewijsde wordt niet ambtshalve toegepast. Hoewel de bepaling uitgaat van vonnissen, is toepassing naar analogie voor bepaalde beschikkingen waarin beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil mogelijk. [3]
subonderdelen I.1 en I.2had het hof behoren te reageren op de essentiële stelling van de moeder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof, waarin op dit punt werd verwezen naar de beschikking van de kinderrechter.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken …”). In deze overweging is het hof ingegaan op de stelling van de moeder dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren zal raken bij gezamenlijke gezagsuitoefening en dat dat risico inmiddels overduidelijk is ingetreden (“
dat er tussen ouders al geruime tijd sprake is van onenigheid”en
“Zij zijn … nog altijd moeilijk in staat om met elkaar te communiceren en elkaar te benaderen als gezamenlijke verantwoordelijke ouders voor de minderjarige.”). Het hof heeft voorts gekeken naar de vraag of te verwachten is dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen ten aanzien van het klem of verloren raken van de minderjarige tussen de ouders (“
Verder weegt het hof mee dat de minderjarige in januari 2017 voor een periode van 12 maanden onder toezicht is gesteld. Naar het oordeel van het hof zal de aanwezigheid van een gezinsvoogd het risico op het klem en verloren raken verminderen.”).
subonderdeel I.3zijn rov. 7 en rov. 10 onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op een stelling van de gecertificeerde instelling in het kader van diens verzoek aan de kinderrechter. [7]
onderdeel II. Het beroep moet daarom worden verworpen.