Conclusie
1.Feiten
132.873.00
7.700.00
2.Procesverloop
“maar zal het een combinatie zijn van de ene helemaal compleet en de andere slechts 60% aangezien daar nog een substantieel stuk externe informatie nog niet beschikbaar is”. ITPS heeft daar inhoudelijk niet meer op gereageerd. De rechtbank houdt het er dan ook op dat die 80% een gemiddelde is; ITPS (h)erkende dat niet alle externe informatie al beschikbaar was om de jaarrekeningen op te kunnen maken.
Management fee
“Mochten de 2013 jaarrekeningen niet voor 80% worden aangeleverd door ATC dan hebben wij het recht om bovengenoemde fee afspraak te herzien. Echter, zoals je al had aangegeven zal ATC alle beschikbare informatie geordend, inzichtelijk en compleet overdragen en committeert zich er aan dit naar eer en geweten te doen.”), een e-mail van ITPS aan Intertrust van 4 november 2013 (waarin onder andere is opgenomen:
“Het bedrag ad USD 64.603 [11] zal naar Macor [12] worden overgemaakt binnen 5 werkdagen nadat jullie alle dossiers (inclusief de voor 80% voorbereide jaarrekeningen en de compliance dossiers) aan United Trust hebben overgedragen.”) en uitlatingen per e-mail van [betrokkene 2] (United). Intertrust heeft voor de onderbouwing van haar verweer (hiervoor randnummer 2.20) gewezen op de stukken zoals vermeld in rov. 2.14.f.-2.14.j. van het eindarrest (een vijftal e-mails tussen partijen) en heeft daaraan nog toegevoegd dat de 80% norm niet kan inhouden dat Intertrust voor 80% in haar systemen ingeboekte jaarrekeningen diende aan te leveren. Met een dergelijke verplichting is zij, aldus Intertrust, op geen enkel moment akkoord gegaan. Zoals zij op 15 oktober 2013 ook al aan ITPS heeft geschreven, hanteert United een ander softwarepakket dan Intertrust en zou het niet zinvol zijn als Intertrust gegevens in haar systeem zou inboeken, die United na de overdracht opnieuw in haar eigen systeem zou moeten inboeken. Daarom heeft Intertrust aangegeven dat het haar zinvoller leek de informatie geordend aan te leveren, hetgeen zij heeft gedaan, aldus Intertrust. In dit kader heeft het hof als volgt overwogen:
jaarrekeningenvoor 80% moest hebben
opgestelden evenmin dat tot het aan te leveren werk ook het
inboekenbehoorde. In de van Intertrust afkomstige teksten wordt immers gesproken over het
boekingsklaarmaken en wordt telkens weersproken dat het opstellen van de jaarrekeningen tot de werkzaamheden behoort. Intertrust geeft aan dat zij alles geordend zal aanleveren, waarmee volgens Intertrust het werk gemiddeld voor 80% is gedaan.
(hof: lees: United)hebben doorgenomen er keurig uit zagen en dat zowel de Accounting (ordners) als de Corporate dossiers heel overzichtelijk zijn ingedeeld.” Voorts is van belang dat mr. Koets ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft verklaard dat ITPS de ordners heeft gekregen, waarin per klantvennootschap de akte van oprichting, aandeelhoudersovereenkomsten alsmede bankafschriften zaten. Hij heeft hieraan toegevoegd dat de ordners redelijk compleet waren in die zin dat de relevante stukken per vennootschap erin zaten en dat dat er op zich netjes uit zag.
3.Bespreking van de cassatieklachten
nietop opschorting heeft beroepen (maar dat zij dat pas in de gerechtelijke procedure heeft gedaan) en dat het hof derhalve ten onrechte heeft geoordeeld dat ITPS in verzuim is geraakt doordat ITPS zich op opschorting heeft beroepen. Ik neem aan dat ITPS hiermee doelt op het volgende. ITPS stelt in de eerste plaats aanvankelijk geen beroep op opschorting te hebben gedaan, maar juist nog niet tot nakoming gehouden te zijn geweest wegens de niet-opeisbaarheid van de management fee. Later heeft zij wel een beroep op opschorting gedaan. Dat kan echter, mocht het ten onrechte zijn geschied en dan als een mededeling in de zin van art. 6:83, aanhef en sub c, BW moeten worden beschouwd, [21] nog altijd niet leiden tot een verzuim in januari 2014, omdat zo’n mededeling geen terugwerkende kracht heeft. [22] Ik begrijp het standpunt van ITPS dan ook zo, dat omdat zij pas in de gerechtelijke procedure c.q. op 28 augustus 2015 [23] als (meest subsidiaire) verweer een beroep op opschorting heeft gedaan, zij niet door deze “mededeling” reeds per 3 januari 2014 in verzuim kan zijn geraakt, nu een dergelijke mededeling (in de zin van art. 6:83, aanhef en sub c, BW) geen terugwerkende kracht heeft.
“(…) Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden geoordeeld dat geen sprake is van enige toerekenbare tekortkoming van Intertrust op 3 januari 2014. Dat betekent dat voor ITPS geen grond bestondde door haar binnen 5 dagen na 3 januari 2014 aan Intertrust te verrichten betaling van $ 64.503op te schorten, zodat zij, door dit wel te doen,in verzuim geraakte.”[onderstreping toegevoegd, A-G]. Het hof heeft mijns inziens geoordeeld i) dat de management fee door ITPS diende te zijn voldaan binnen vijf dagen na 3 januari 2014 (fatale termijn), ii) dat Intertrust zich aan de gemaakte afspraken heeft gehouden, iii) dat er daarom geen grond bestond voor Intertrust om de management fee niet tijdig te betalen en iv) dat ITPS in verzuim is geraakt door niet tijdig de management fee te voldoen.
mededelingin de zin van art. 6:83, aanhef en sub c, BW. Dat het hof met de woorden “op te schorten” en “door dit wel te doen” het oog heeft gehad op niet-betaling (en niet op opschorting in juridische zin) strookt ook met hetgeen het hof in rov. 2.19. heeft overwogen:
“(…) omdat Intertrust haar verplichtingen is gaan opschorten nadat ITPS Intertrustniet betaalde.”[onderstreping toegevoegd, A-G]. Het hof heeft, kortom, volgens mij niet geoordeeld dat ITPS zich op opschorting heeft beroepen. Het onderdeel gaat derhalve uit van een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Het aangevallen oordeel van het hof is overigens niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel IIIfaalt derhalve.
onderdeel I(randnummers 3.9.-3.10. van de procesinleiding), omdat dat ook is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.20. van het eindarrest, inhoudende dat er geen sprake is van enige toerekenbare tekortkoming van Intertrust op 3 januari 2014 en dat dat betekent dat voor ITPS geen grond bestond de door haar binnen vijf dagen na 3 januari 2014 aan Intertrust te verrichten betaling van $ 64.503,-- op te schorten, zodat zij, door dit wel te doen, in verzuim geraakte. Het onderdeel klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat voor opschorting geen toerekenbare tekortkoming van de wederpartij is vereist. Voor opschorting is in de eerste plaats niet-naleving van een opeisbare verbintenis nodig, aldus het onderdeel. Het begrip ‘niet-nakomen’ in de zin van art. 6:52 en Pro art. 6:262 BW Pro is niet gelijk aan tekortschieten in de nakoming van een verbintenis als bedoeld in afdeling [25] 6.1.9 BW. Een zodanig tekortschieten is niet vereist, aldus het onderdeel. In het onderdeel wordt het belang van ITPS bij de klacht nog toegelicht: i) ITPS heeft consequent vastgehouden aan de afspraak om de management fee van $ 64.503,-- [26] eerst te hoeven voldoen binnen vijf dagen nadat Intertrust zou hebben voldaan aan haar verbintenis “om alle (complete) dossiers af te geven” [27] , aan welke verbintenis Intertrust tot op heden niet heeft voldaan [28] en ii) de contractuele boete is mede gekoppeld aan het verzuim om tijdig alle dossiers, en wel compleet, af te geven [29] , aldus het onderdeel.
Onderdeel Ifaalt derhalve.
miskend, maar uitdrukkelijk heeft
verworpen. In rov. 2.20. heeft het hof immers overwogen dat het – met de rechtbank – van oordeel is dat de verplichting tot betaling van de management fee opeisbaar was. Het hof heeft de overeenkomst zo uitgelegd dat de management fee wel opeisbaar was. Nu de uitleg van een overeenkomst voorbehouden is aan de feitenrechter, kan deze uitleg niet in cassatie op juistheid worden getoetst. [32] Tot slot is het standpunt van ITPS, dat ITPS geen opschorting nodig had omdat de vordering tot betaling van de management fee nog niet opeisbaar was, niet juist. Het hof gaat in zijn oordeel immers juist uit van de
niet-opeisbaarheidvan deze vordering. In geval van een nog niet opeisbare vordering, is van een af te dwingen verplichting tot nakoming geen sprake, zodat niet aan opschorting (in de zin van art. 6:52 en Pro art. 6:262 BW Pro) wordt toegekomen. [33] Ik verwijs in dat kader naar randnummer 3.8 van deze conclusie, waar wordt betoogd dat het hof in rov. 2.20. niet het oog had op opschorting in juridische zin.
Onderdeel IItreft geen doel.
subonderdeel 1 van onderdeel IVis het oordeel van het hof, dat ITPS de management fee van $ 64.503,-- [34] binnen vijf dagen na 3 januari 2014 diende te voldoen, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk. De verplichting tot betaling van de management fee c.q. de betalingstermijn van vijf dagen was volgens ITPS gekoppeld aan de naleving van de verbintenis tot afgifte van alle (complete) dossiers en was niet vastgepind op 3 januari 2014. [35] In dit kader voert ITPS aan i) dat zij consequent heeft betoogd dat de management fee pas hoefde te worden betaald na aanlevering (en completering) van alle dossiers [36] , ii) dat zij daarenboven heeft gesteld dat de ingangsdatum van de betalingstermijn mee is opgeschoven naar de week die volgde op die van 3 januari 2014 en enkel voor zover Intertrust dan alsnog zou zorgdragen voor aflevering en completering van de dossiers [37] en iii) dat het hof enkel een nadere afspraak tot latere afgifte en completering van de dossiers heeft vastgesteld en niet tevens een nadere afspraak waarin partijen de eerder overeengekomen koppeling van de ingangsdatum van de betalingstermijn aan de datum waarop alle dossiers door Intertrust zijn afgegeven, hebben losgelaten.
na overdracht van de dossiersen dat – nu de overdracht op 3 januari 2014 heeft plaatsgevonden – de fatale termijn voor ITPS om de management fee te betalen is afgelopen op 8 januari 2014, ITPS op 9 januari 2014 in verzuim is geraakt en ITPS vanaf die datum wettelijke rente is verschuldigd (randnummers 34., 43., 48. en 86. van de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie). De rechtbank diende vervolgens te oordelen over de opeisbaarheid (en het eventuele verzuim van ITPS) ten aanzien van de management fee. Hierbij merk ik op dat een verbintenis opeisbaar is wanneer de schuldeiser aanspraak kan maken op het verrichten van de prestatie c.q. nakoming kan vorderen. [40] Het moment van eerste opeisbaarheid dient op basis van uitleg van de overeenkomst of de betrokken wettelijke regeling te worden bepaald. [41] In de meeste gevallen zal bij de uitleg van de overeenkomst de lezing van één van de partijen worden gevolgd. [42] Dit laatste heeft de rechtbank gedaan; de rechtbank heeft bij de uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken omtrent de betaling van de management fee de lezing van Intertrust gevolgd. Dit volgt uit het eindvonnis van de rechtbank (hiervoor randnummer 2.11):
verenigdmet het oordeel van de rechtbank c.q. dat het dit oordeel tot de zijne maakt, heeft het hof dat kennelijk wel bedoeld met de woorden “Met de rechtbank is het hof van oordeel” (rov. 2.20.). Mocht al geoordeeld kunnen worden dat de bestreden uitspraak op zich beschouwd niet heel duidelijk is (omdat er niet expliciet wordt verwezen door het hof naar de betreffende rechtsoverweging van het eindvonnis), dan kan de gedachtegang van de rechter in dit geval alsnog worden vastgesteld aan de hand van de beslissing in eerste aanleg. [45] Bij lezing van het eindarrest en het eindvonnis wordt namelijk duidelijk dat het hof (bij zijn overweging dat het met de rechtbank van oordeel is dat ITPS verplicht was de management fee te betalen en dat deze opeisbaar was; rov. 2.20.) heeft gedoeld op rov. 4.16. van het eindvonnis, nu dit de (enige) overweging van de rechtbank is, waarin zij oordeelt dat uit de overgelegde e-mailberichten volgt dat ITPS verplicht was de management fee te betalen binnen vijf dagen na ontvangst van de dossiers, derhalve binnen vijf dagen na 3 januari 2014 (en deze verplichting dus opeisbaar was). Aangenomen mag worden dat het hof zich met de zienswijze van de rechtbank in rov. 4.16. van het eindvonnis heeft verenigd c.q. met de gronden waarop de beslissing van de rechtbank ter zake berustte.
Subonderdeel 1 van onderdeel IVtreft dus geen doel.
niettoerekenbaar tekort is geschoten op 3 januari 2014 (rov. 2.19. en 2.20.) en dus
nietin verzuim is geraakt. In de tweede plaats heeft het hof geoordeeld dat ITPS verplicht was om de management fee te voldoen, dat deze verplichting opeisbaar was en dat de betaling diende plaats te vinden binnen vijf dagen na 3 januari 2014 en dat ITPS deze verplichting niet is nagekomen, waardoor aan Intertrust een opschortingsrecht toekwam (rov. 2.20.). Het hof heeft daarmee, kortom, (gemotiveerd) geoordeeld dat ITPS als eerste moest presteren en dat, nu zij dat niet heeft gedaan, Intertrust een beroep op opschorting toekwam. Het hof heeft het standpunt van ITPS, dat Intertrust toerekenbaar tekort is geschoten en in verzuim verkeert, uitdrukkelijk (gemotiveerd) verworpen. Ook
subonderdeel 2 van onderdeel IVtreft dus geen doel.
Subonderdeel 1 van onderdeel Vklaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat, voor zover Intertrust volgens het hof niet (toerekenbaar) tekortgeschoten is op 3 januari 2014. Een afspraak dat de ontbrekende stukken de week na 3 januari 2014 alsnog worden aangeleverd, neemt de tekortkoming onder de overeenkomst (het niet afgeven door Intertrust van alle (complete) dossiers bij einde contract) niet weg, aldus het eerste subonderdeel.
Subonderdeel 2 van onderdeel Vklaagt dat ’s hofs oordeel, dat Intertrust niet (toerekenbaar) tekortgeschoten is op 3 januari 2014, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet (voldoende) begrijpelijk is waarom Intertrust niet (toerekenbaar) tekortgeschoten is nu Intertrust op 3 januari 2014 alle (complete) dossiers had moeten afgeven. Ter toelichting voert ITPS aan dat vaststaat dat op 3 januari 2014 een aantal stukken ontbrak, [46] maar het hof vervolgens niet vaststelt waarom de nalatigheid van Intertrust om alle (complete) dossiers op 3 januari 2014 af te geven, geen toerekenbare tekortkoming oplevert en dat de stelplicht en de bewijslast ter zake rust op Intertrust. Deze twee subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
alledossiers heeft verstrekt op 3 januari 2014, dient rov. 2.20. in het kader van de behandeling van de onderhavige subonderdelen in samenhang te worden gelezen met de rechtsoverwegingen waarin dit verwijt door het hof wordt besproken. Het hof heeft allereerst geconstateerd dat duidelijk is dat tussen partijen overeenstemming bestond dat Intertrust aan ITPS (United) de zich onder Intertrust bevindende dossiers zou aanleveren op 3 januari 2014 (rov. 2.11. en 2.16.). Een bij overeenkomst of andere rechtshandeling voor de nakoming gestelde termijn is in principe fataal, zodat de schuldenaar door het enkele verstrijken van de termijn in verzuim raakt. [47] Ook de termijn van 3 januari 2014 is derhalve (in beginsel) een fatale termijn. Het hof heeft echter vervolgens overwogen in rov. 2.19. (met een verwijzing naar rov. 2.16.) dat vaststaat dat partijen hebben afgesproken dat de ontbrekende stukken zouden worden aangeleverd “in de loop van de volgende week” en dat partijen daarmee “een nadere overeenkomst [hebben] gesloten ten aanzien van de ontbrekende stukken”. Het hof heeft daarmee kennelijk bedoeld dat de overeengekomen termijn van 3 januari 2014 zijn fatale karakter heeft verloren doordat ITPS heeft ingestemd met overschrijding van die termijn [48] en dat partijen vervolgens een nieuwe termijn c.q. gewijzigde termijn – voor wat betreft de aanlevering van de ontbrekende stukken – zijn overeengekomen, te weten in de loop van de week die volgt op 3 januari 2014. Dit oordeel heeft logischerwijs tot gevolg dat Intertrust niet reeds op 3 januari 2014 tekort is c.q. kan zijn geschoten ten aanzien van de aanlevering van de ontbrekende stukken, aangezien de (nieuwe c.q. gewijzigde) overeengekomen termijn voor de nakoming van de nog aan te leveren stukken in de toekomst lag, te weten die week erop. [49] Nu de uitleg van een overeenkomst is voorbehouden aan de feitenrechter, kan deze uitleg niet in cassatie op juistheid worden getoetst. [50]
onbegrijpelijkoordeel van het hof in rov. 2.19. en 2.20.
Subonderdeel 1 en subonderdeel 2 van onderdeel Vtreffen dus geen doel.
Onderdeel Vvan het middel is daarmee vergeefs voorgesteld.
Onderdeel VIdeelt derhalve het lot van de overige klachten.