Conclusie
1.De feiten
4.Beschouwing/analyse
2.Het procesverloop
primaireen verklaring voor recht gevorderd dat de vordering van [verweerder] op NBM – inzake de in het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst uit 1985 omschreven door hem geleden schade als gevolg van het hem op 11 mei 1980 overkomen ongeval – is verjaard en derhalve dient te worden afgewezen.
Subsidiairheeft NBM een verklaring voor recht gevorderd dat de vordering van [verweerder] tot betaling van aanvullende schadevergoeding als gevolg van het hem op 11 mei 1980 overkomen ongeval dient te worden afgewezen, omdat [verweerder] niet is geslaagd en niet kan slagen in het op grond van art. 150 Rv Pro vereiste bewijs voor deze vordering, nu niet kan worden vastgesteld of er sprake is van een situatie zoals geformuleerd in het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst.
de schadevan het ongeval; aangezien partijen zowel de destijds reeds geleden als de toekomstige schade in de vaststellingsovereenkomst hebben geregeld, kan de verklaring voor recht alleen zien op de schade die aan de voorwaarden van het voorbehoud voldoet (r.o. 4.15);
incidentele grievenover de verjaringskwestie behandeld. NBM bestrijdt hiermee de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [verweerder] niet is verjaard. Het hof heeft in dat verband het volgende vooropgesteld. Tussen partijen is niet in discussie dat het hier gaat om een vordering tot nakoming na onbepaalde tijd als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW Pro. In hoger beroep staat ook niet meer ter discussie dat de vordering op grond van de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:307 lid 2 BW Pro niet is verjaard. Het hof overweegt als volgt:
pas van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart de in lid 1 bedoelde rechtsvordering in elk geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.”
loopt de verjaring in beginsel vanaf de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. (...) Het voormelde aanvangstijdstip is evenwel niet voor alle gevallen redelijk. Er zijn immers gevallen waarin in de overeenkomst zelf al besloten ligt dat de opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden. (...)
de bepaling toegevoegd dat de rechtsvordering tot nakoming van verbintenissen als de onderhavige in elk geval verjaart twintig jaren na de aanvang van de dag “waartegen opeising op zijn vroegst mogelijk was”.
opzegging”in de laatste zin van het citaat is bedoeld: “
opgezegd had kunnen worden” (Inv. Wet Boek 3, p. 1414).”
“op zijn vroegst opeisbaar”.
principaal hoger beroep. Naar het oordeel van het hof heeft [verweerder] zijn vordering in eerste aanleg inderdaad te ruim omschreven. Volgens het hof heeft [verweerder] zijn vordering in hoger beroep aan het oordeel van de rechtbank aangepast. Het hof is daarom van deze gewijzigde vordering uitgegaan. Het hof overweegt (rov. 3.10):
de schadevan het ongeval en dat gelet op hetgeen partijen bij de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen de verklaring voor recht alleen kan zien op schade die aan de voorwaarden van het voorbehoud voldoet.
Het is aannemelijk, gezien de anamnese, dat de rechterknie voor het ongeval van 11-05-1980 geen mankementen vertoonde. Bij dit ongeval heeft hij een femurfractuur opgelopen, ongeveer midschacht. De precieze aard van het inwerkend geweld op het bovenbeen en de knie is bij dit ongeval niet bekend. Het is echter te verwachten dat er ook op de knie een flink geweld is uitgeoefend, zoals meestal het geval is bij bovenbeensbreuken.
erg waarschijnlijk achtdat het ongeval uit 1981 [18] de oorzaak is van de huidige afwijkingen aan de knie, is het hof van oordeel dat [verweerder] daarmee heeft bewezen dat aan het voorbehoud uit de vaststellingsovereenkomst is voldaan. Dit betekent dat de gevorderde verklaring van recht toewijsbaar is. (…)”
3.De cassatieklachten
objectiefmoet worden beoordeeld en niet op basis van de
subjectievebekendheid aan de zijde van de schuldeiser. NBM heeft in dat verband voorts verwezen naar haar stelling dat de onderhavige vordering van [verweerder] reeds op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst opeisbaar zou zijn geweest. [20] Onderdeel 1dhoudt in dat gegrondbevinding van één of meer van de in de voorgaande subonderdelen aangevoerde klachten meebrengt dat rov. 3.6.7-3.6.8 en 3.7 tot en met 3.9 van ‘s hofs arrest niet in stand kunnen blijven. Onderdeel 1d bevat dus geen zelfstandige klacht.
Subonderdeel 2abetoogt dat het, gezien het ontbreken van het rapport van dr. Raat, naar de aard der zaak niet mogelijk is te bewijzen dat sprake is van een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie zoals beschreven in het rapport van dr. Raat.
Subonderdeel 2bbepleit dat het hof zijn bewijsoordeel uitsluitend zou hebben gebaseerd op de vaststelling dat de huidige klachten van [verweerder] een gevolg zijn van het ongeval. Het hof zou niet (voldoende) in zijn beoordeling hebben betrokken of sprake is van een belangrijke afwijking ten opzichte van het rapport van dr. Raat.
Subonderdeel 2cbevat een klacht voor het geval het hof het voorbehoud aldus heeft begrepen dat er geen sprake behoeft te zijn van een belangrijke afwijking ten opzichte van het rapport van dr. Raat. Gezien de tekst van het voorbehoud zou die uitleg onbegrijpelijk zijn.
Onderdeel 3abevat geen zelfstandige klacht.
Onderdeel 3bhoudt in dat het hof in het dictum ten onrechte voor recht heeft verklaard dat NBM aansprakelijk is voor de schade van [verweerder] als gevolg van het ongeval op 11 mei 1980 en dat NBM schadevergoedingsplichtig is jegens [verweerder] . [verweerder] had zijn vordering immers gewijzigd in een verklaring voor recht ‘dat NBM aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval, zoals genoemd in het rapport van dr. Edixhoven, omdat die voortvloeit uit een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en de invalidering als beschreven in het rapport van de als onafhankelijke deskundige benoemde orthopedisch chirurg dr. H.S.M. Raat’.
4.De verjaringsregeling van art. 3:307 lid 2 BW Pro
na onbepaalde tijdis art. 3:307 lid 2 BW Pro toepasselijk. Op grond van art. 3:307 lid 2 BW Pro vangt de verjaringstermijn van vijf jaar in dat geval aan op de dag volgend op die waartegen de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan. De rechtsvordering tot nakoming na onbepaalde tijd verjaart echter in ieder geval door verloop van 20 jaar na de dag waartegen opeising op zijn vroegst mogelijk was.
5.Terug naar de klachten
“De vordering van [verweerder] op grond van het voorbehoud was niet al met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst opeisbaar. Eerst moesten de in het voorbehoud genoemde omstandigheden zijn verwezenlijkt, namelijk het intreden van de in het voorbehoud bedoelde schade als gevolg van het ongeval. (…) Een juiste uitleg van de vaststellingsovereenkomst kan derhalve niet tot een andere conclusie leiden dan dat partijen de bedoeling hadden een voorbehoud voor onbepaalde termijn op te nemen in de overeenkomst voor het geval [verweerder] op enig moment een toename van klachten zou ervaren. Toen één en ander zich voordeed in 2007 heeft [verweerder] zich direct gemeld bij MVG.”Volgens [verweerder] is de vordering op grond van het voorbehoud dus pas opeisbaar geworden toen hij in 2007 bekend werd met het intreden van de in het voorbehoud bedoelde schade.
objectiefdient te worden beantwoord. Daarbij zou niet van belang zijn of de schuldeiser
subjectiefbekend is met (de opeisbaarheid van) de vordering. NBM heeft in dat verband verwezen naar haar stelling dat de vordering reeds bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst opeisbaar zou zijn geweest. [59]
Onderdeel 1acht ik daarom ongegrond.
subonderdeel 2aheeft NBM in dat kader het volgende naar voren gebracht. Voor een geslaagd beroep op het voorbehoud is nodig dat sprake is van ongevalsgevolgen die voortvloeien uit een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en invalidering zoals beschreven in het rapport van dr. Raat. Het subonderdeel strekt ten betoge dat die vaststelling uit de aard der zaak niet meer mogelijk is. [verweerder] heeft het rapport van dr. Raat namelijk niet bewaard en zonder dit rapport zou niet met de vereiste mate van zekerheid kunnen worden vastgesteld dat de klachten van [verweerder] een belangrijke afwijking vormen ten opzichte van de situatie die is beschreven in het rapport van dr. Raat.
subonderdeel 2bgeen doel. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het betoogt dat de overwegingen, op grond waarvan het hof bewezen acht dat aan het voorbehoud is voldaan, alleen zien op de vraag of de afwijking aan de knie een gevolg is van het ongeval. Aan het oordeel van het hof ligt immers ook ten grondslag dat dr. Edixhoven aannemelijk heeft geacht dat dr. Raat geen voorbehoud heeft gemaakt voor de huidige afwijking aan de knie. Daarmee heeft het hof ook de (ongemotiveerde) stelling verworpen dat dr. Edixhoven niet zou hebben kunnen vaststellen of zich een belangrijke afwijking heeft voorgedaan ten opzichte van het rapport van dr. Raat. De subklacht treft evenmin doel voor zover daarin wordt betoogd dat uit de overige medische informatie (zijnde de brief van dr. Giesberts en het rapport van Movir) niet kan worden opgemaakt of sprake is van een belangrijke afwijking ten opzichte van het rapport van dr. Raat. Het hof heeft deze informatie namelijk van belang geacht voor zijn oordeel dat niet is gebleken van een andere oorzaak op grond waarvan de huidige afwijkingen aan de knie van [verweerder] kunnen worden verklaard. Het hof heeft het (bewijs)oordeel over de aannemelijke inhoud van het rapport van dr. Raat gegrond op de bevindingen van dr. Edixhoven.
Onderdeel 3ahoudt in dat deze overwegingen bij gegrond-bevinding van één of meer klachten niet in stand kunnen blijven. Het onderdeel bevat geen zelfstandige klacht en behoeft dus geen aparte bespreking.
dr. Edixhoven omdat die voortvloeit uit een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en de invalidering als beschreven in het rapport van de als onafhankelijke deskundige benoemde orthopedisch chirurg dr. H.S.M. Raat van 20 juli 1982.” Volgens NBM is het hof met de toegewezen verklaring voor recht buiten de vordering van [verweerder] in hoger beroep getreden en/of is deze toewijzing onbegrijpelijk gezien het weergegeven oordeel in rov. 3.10.
dr. Edixhoven omdat die voortvloeit uit een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie en de invalidering als beschreven in het rapport van de als onafhankelijke deskundige benoemde orthopedisch chirurg dr. H.S.M. Raat van 20 juli 1982. In rov. 3.10 is verder overwogen dat het hof zal uitgaan van deze gewijzigde vordering. In rov. 3.14 heeft het hof overwogen dat de door [verweerder] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
onderdeel 3treft naar mijn mening daarom geen doel.