Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
ex warrant-arrest (HR
BNB1996/138) leid ik voorts af dat ook een expliciete verklaring van de medewetgever dat hem een bepaalde interpretatie voor ogen staat, op zichzelf onvoldoende grondslag biedt om de wet zó uit te leggen als hij welbewust juist niet is geformuleerd. De regering heeft ondanks expliciete twijfels c.q. bezwaren van zowel de Eerste Kamer als de Raad van State welbewust nagelaten om crisisheffing in een geval zoals dat van de belanghebbende van een wettelijke basis conform het Grondwettelijke legaliteitsbeginsel te voorzien. Ik meen daarom dat de expliciete wens van de medewetgever tijdens de parlementaire behandeling het gebrek aan de vereiste delegatie aan de Executieve niet kan wegnemen, met name niet nu het om temporeel terugwerkende wetgeving gaat die volgens u gerechtvaardigde verwachtingen schond. Voor grondslagverbreding van een dergelijke heffing door de Executieve moet mijns inziens een volstrekt ondubbelzinnige wettelijke basis bestaan.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Gemachtigde:Wij hebben weliswaar geen mogelijkheid tot controle van de hierin genoemde cijfers [4] , maar wij hebben geen bezwaar tegen overlegging van deze stukken.”
BNB2003/370 [7] (zie 5.2), waarin u oordeelde:
gewezen)
inhoudingsplichtige,is het Hof van oordeel dat de besluitgever de hem door de wetgever gegeven bevoegdheid daarmee heeft overschreden.”
gewezen inhoudingsplichtigezoals bedoeld in genoemde bepaling. Belanghebbende kan naar ’s Hofs oordeel worden aangemerkt als een vennootschap die in 2013 inhoudingsplichtige is geweest, maar uit artikel 10f blijkt niet, dan wel onvoldoende, dat belanghebbende dan ook als gewezen inhoudingsplichtige kan worden aangemerkt. De term
gewezen inhoudings-plichtigeziet naar het oordeel van het Hof op een persoon die op het (…) heffingsmoment [31 maart 2014; PJW] - ten aanzien van de gewezen werknemer zoals bedoeld in artikel 10f - weliswaar geen inhoudingsplichtige meer is, maar op dat moment nog wel bestaat. Omdat belanghebbende op het (…) heffingsmoment niet meer bestond (…) kan zij niet worden aangemerkt als gewezen inhoudingsplichtige zoals bedoeld in artikel 10f. Anders dan de situatie zoals beschreven in HR 19 september 2003, nr. 38 372, ECLI:NL:HR:2003:AK8288, BNB 2003/370, waarin het ging om de rechtsgeldigheid van een aanslag die was opgelegd aan een ontbonden rechtspersoon, wier vermogen was vereffend, over een periode waarin die rechtspersoon nog belastingplichtig was, is in het onderhavige geval sprake van een naheffingsaanslag die is opgelegd aan een ontbonden rechtspersoon wier vermogen eveneens is vereffend, echter reeds vóór het tijdvak waarop die aanslag betrekking heeft. Belanghebbende was toen niet meer inhoudingsplichtig omdat ze reeds voordien, namelijk op 15 december 2013, is opgehouden te bestaan (vgl. HR 20 oktober 2017, nr. 16/05235, ECLI:NL:HR:2017:2655).
NTFR2018/1096 als volgt:
3.Het geding in cassatie
de betreffende inhoudings-plichtige of diens rechtsopvolger, maar wel dat hij ook de bevoegdheid wilde delegeren om de kring van belastingplichtigen uit te breiden. Zij stelt dat de door de belanghebbende gedreven tandartspraktijk door geen van de (uiteindelijke) aandeelhouders is voortgezet.
4.Ontbinding van rechtspersonen
5.Aanslagoplegging aan niet (meer) bestaande belastingplichtigen
B.4711 [9] was voor het belastingjaar 1 mei 1923 - 30 april 1924 in de inkomstenbelasting aangeslagen. U overwoog:
BNB2003/370 [10] was op 29 september 1995 in liquidatie getreden. Op 5 maart 1996 was de vereffening geëindigd en daarna niet heropend. Tegen de aanslag was “namens de inmiddels geliquideerde vennootschap” bezwaar en beroep ingesteld. Daarbij waren volmachten overgelegd van de laatste bestuurder en de vereffenaar. U oordeelde dat de regel dat de termijn voor indiening van bezwaar pas gaat lopen nadat de vereffening is heropend, er niet toe leidt dat een vóór die heropening ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard:
6.Heffing van en genietingsmoment en inhoudingsplicht voor de crisisheffing
BNB2016/163 [12] ). De crisisheffing is echter opnieuw in 2014 geheven, toen op basis van loon verstrekt in 2013. Zie onderdeel 6.16 hieronder. De passages uit de parlementaire behandeling die ik hieronder citeer, zien op loon verstrekt in 2012 en op heffing op 31 maart 2013, maar gelden, gezien die verlenging met een jaar, evenzeer voor de heffing op 31 maart 2014 ter zake van loon in 2013. Men leze dus in voorkomend geval 2013 voor 2012 en 2013 voor 2014.
lid 1van art. 10f UBLB een ander dan de door de Wet LB aangewezen inhoudingsplichtige aan te wijzen. Waarop die veronderstelling berust, wordt uit het Nadere Rapport niet duidelijk. Lid 1 gaat mijns inziens alleen over het terug kwalificeren van
loondat vermomd wordt als zzp-omzet, niet over het als inhoudingsplichtige aanwijzen van anderen dan degenen aangewezen bij of krachtens de artt. 6 - 8 Wet LB.
BNB2016/164. [26] Op 17 december 2013 is het wetsvoorstel tot verlenging van de crisisheffing door de Eerste Kamer aanvaard. [27] Op 18 december 2013 is de wet ondertekend door de Koning, waarna hij in het Staatsblad van 23 december 2013 is gepubliceerd. [28] De wet vermeldt als ingangsdatum 1 januari 2014, [29] toen de belanghebbende al niet meer bestond.
BNB1990/333 [30] betrof de vraag of de belanghebbende inhoudingsplichtige was ter zake van vakantiegeld dat zij in juli 1981 had betaald aan werknemers die tot 1 januari 1981 bij A in dienst waren geweest. Zij had na de staking per 31 december 1980 van A’s onderneming dier voorraad, auto’s en inventaris overgenomen. Het recht op vakantiegeld van de werknemers bestond jegens A. De belanghebbende voldeed de koopprijs voor de voorraad, auto’s en inventaris deels door overname van een deel van A’s verplichting per ultimo 1980 tot betaling van nettovakantiegeld aan A’s voormalige personeel. De belanghebbende noch A hadden loonbelasting afgedragen. U overwoog:
BNB1992/169 [31] ):
BNB2016/163 [32] nam de Staatssecretaris het standpunt in dat van terugwerkende kracht geen sprake was omdat niet werd geheven over het tijdvak 2012, maar
ophet tijd
stip31 maart 2013. Ik vatte in de conclusie in die zaak dat standpunt als volgt samen:
stipbelasting, dus van terugwerkende kracht is geen sprake) in de verlengde-crisisheffingszaak HR
BNB2016/164. [33] Ik vatte dat standpunt als volgt samen:
7.Discrepantie tussen wettekst en -toelichting
ex warrantarrest [34] betrof een erflaatster die obligaties had gekocht waaraan bij uitgifte
warrantswaren verbonden, maar waarvan de door haar gekochte obligaties al waren ontdaan toen zij ze kocht. Naar de tekst van art. 25a Wet IB 1964 vielen de
ex warrant-obligaties niet onder die bepaling omdat geen sprake was van gelijktijdig zowel een recht van de erflaatster als een recht van een ander tot de voordelen uit de obligaties, waardoor geen fictief rendement viel toe te rekenen aan die obligaties. Uit de parlementaire behandeling bleek echter ondubbelzinnig dat de wetgever wel degelijk ook
ex warrantleningen onder art. 25a Wet IB 1964 wilde vatten. U oordeelde dat die weliswaar expliciet uitgesproken wens van de wetgever onvoldoende grondslag bood om die bepaling zó uit te leggen als zij nu juist welbewust niet was geformuleerd:
ex warrantarrest (ik laat voetnoten weg): [35]
8.Behandeling van het middel
BNB2003/370 (zie 5.2), achterwege moet blijven. Zij wordt vertegenwoordigd door Holding.
wishful thinking: het gegeven dat het door hem als ‘fictief’ aangeduide wettelijke genietingsmoment in 2014 lag, kon zijns inziens niet tot gevolg hebben dat over in 2013 genoten loon geen crisisheffing 2014 meer zou kunnen worden geheven als er op het wettelijke moment van verschuldigd worden in 2014 geen inhoudingsplichtige meer zou zijn. Het gaat echter – ook volgens de (mede)wetgever – om een tijdstipbelasting en niet om een belasting over het tijdvak 2013 of enig ander tijdvak. Anders dan de belanghebbenden in HR
B.4711 (zie 5.1) en HR
BNB2003/370 (zie 5.2), bestond onze belanghebbende in het geheel niet op enig heffingstijdstip of tijdens enig heffingstijdvak. Op basis van de formele wet (artt. 6 - 8 Wet LB) kan de belanghebbende dan mijns inziens niet aangemerkt worden als inhoudingsplichtig of eindbelastingplichtig voor de crisisheffing 2014.
ex warrant-arrest (zie 7.1) leid ik voorts af dat ook een expliciete verklaring van de regering dat haar een bepaald resultaat c.q. een bepaalde interpretatie voor ogen staat, op zichzelf onvoldoende grondslag biedt om met een beroep op die bedoeling de wet zó uit te leggen als hij welbewust juist niet is geformuleerd. De regering heeft ondanks expliciete twijfels c.q. bezwaren van zowel de Eerste Kamer als de Raad van State welbewust nagelaten om crisisheffing in een geval zoals dat van de belanghebbende van een wettelijke basis conform het Grondwettelijke legaliteitsbeginsel te voorzien. Van onhandigheid van de wetgever is geen sprake. Hij heeft welbewust de wet niet zo geformuleerd als de Executieve hem thans wel wil toepassen. Ik meen daarom dat de expliciete verklaring van de medewetgever tijdens de parlementaire behandeling het gebrek aan vereiste expliciete en ondubbelzinnige delegatie aan de Executieve niet kan wegnemen.