Conclusie
Tiffany” onderscheidenlijk “
Swatch Group” worden genoemd. In deze vernietigingsprocedure is met name in geschil of arbiters buiten de hun verleende opdracht zijn gegaan (art. 1065 lid 1 aanhef Pro en onder c, Rv). Aanleiding voor het geschil is het mislukken van strategische samenwerking in het kader waarvan een nieuwe lijn luxe horloges onder de merknaam Tiffany zou worden gelanceerd.
TWC, en na naamswijziging Look and Feel AG geheten. [2]
overeenkomsten). Op de overeenkomsten is Nederlands recht van toepassing verklaard. Het betreft:
WTSA);
Business Plan).
scheidsgerecht. [3]
arbitraal vonnis). [4] Het heeft geoordeeld dat Tiffany op acht van 24 door Swatch Group aangevoerde punten is tekortgeschoten en dat deze tekortkomingen tezamen een
material breachvan haar contractuele verplichtingen vormen. Tiffany is veroordeeld tot betaling aan Swatch Group van CHF 402.736.825,47, vermeerderd met rente en kosten. [5] Een door Tiffany ingestelde reconventionele vordering is afgewezen.
resultaatsverbintenis”). On the other hand, the Business Plan is not a mere management instrument to check results with targets but a contractual benchmark under which the Parties were to develop reasonable efforts to meet these targets which under the Agreement and Dutch law can be characterized as an obligation to use reasonable efforts (“
inspanningsverbintenis”). As Respondents have by far not complied with their targets and have refrained from using reasonable efforts to achieve such efforts, the Arbitral Tribunal considers that there is breach of an implied obligation to use reasonable efforts to achieve the targets set forth in the Business Plan. It also considers that this applies to the Business Plan 2009 as that considered yearly volumes of 12,140 watches for 2009 and 8,040 watches for 2010 (...). Finally, the Arbitral Tribunal considers that Respondents’ argument that Claimants’ distribution network was the primary driver of WTC’s business cannot be accepted. Claimants and Respondents seem to use the concept of primary driver in two different senses: for Respondents, the success of WTC’s business depended on The Swatch’s distribution network and the concept of primary driver is then used as the most important driver for WTC ’s business while Claimants use the concept of primary driver in a chronological sense as being the first driver of the business. The Arbitral Tribunal agrees with Claimants as to the concept of primary driver: under both the 2007 and the 2009 Business Plans, the WTC business was first and foremost to be rolled out in Tiffany stores and to a large extent thereafter through The Swatch ’s distribution channels. As this was what the Parties envisaged through the Business Plans, Tiffany ought to have used its best efforts to sell substantial quantities of watches in its own stores to target anticipated sales as provided in het Business Plans. In failing to do so as explained above, the Arbitral Tribunal considers that Tiffany breached its obligations pursuant to the Agreements. (...)
dissenting opinionafgegeven. Hij is het er niet mee eens “
that Tiffany breached a contractual obligation, even less an implied obligation to use reasonable efforts to achieve the targets set forth in the Business Plan”. [7] Prof. Hanotiau heeft het arbitrale vonnis wel ondertekend. Hij heeft onder zijn handtekening de woorden “
Subject to dissenting opinion” toegevoegd.
de rechtbank) en de vernietiging gevorderd van het arbitrale vonnis, dat op 31 december 2013 bij de griffie van die rechtbank was gedeponeerd. Tiffany baseerde haar vordering op vier grondslagen, waarvan de eerste centraal staat: [8]
The arbitral tribunal may not change, modify or alter any express condition, term or provision of this Agreement and to that extent the scope of its authority is expressly limited.”– behelst een beperking van de opdracht aan de arbiters, die zij hebben genegeerd. Het arbitrale vonnis moet daarom op grond van art. 1065 lid 1 aanhef Pro en onder c, Rv worden vernietigd. De arbiters hebben bovendien, zonder dat de arbitrageovereenkomst daarvoor grond bood, die overeenkomst aangepast, waardoor het arbitrale vonnis tevens op grond van art. 1065 lid 1 aanhef Pro en onder a, Rv aan vernietiging blootstaat.
Subject to dissenting opinion” geschreven. Daardoor is het arbitrale vonnis niet in overeenstemming met de wettelijke eisen en die van het arbitragereglement ondertekend en staat het vonnis aan vernietiging bloot op grond van art. 1065 lid 1 aanhef Pro en onder d, Rv.
express conditions, terms or provisionsvan de overeenkomsten, maar hun rechtsverhouding nader wordt ingevuld (rov. 4.27). De rechtbank overweegt verder:
to order a sufficient number of watches to be capable of meeting the objectives of the Business Plan” alsmede 2) “
to sell substantial quantities of watches in its own stores to target anticipated sales as provided in the Business Plans” niet in een expliciete contractsbepaling staan vermeld. Toch concluderen arbiters dat op Tiffany een inspanningsverbintenis rust “
to meet these targets” alsmede dat Tiffany haar “
implied obligation to use reasonable efforts to achieve the targets set forth in the Business Plan” heeft geschonden en “
that Tiffany breached its obligations pursuant to the Agreements” (overweging 96).
artikel 3.1 WTSAcontext geeft aan de gezamenlijke doelstellingen van partijen en dat deze bepaling daarmee een grondslag biedt voor nadere analyse of en in welke mate Tiffany entiteiten onder de contracten verplichtingen op zich hebben genomen die voortvloeien uit die doelstellingen. Het Scheidsgerecht overweegt dat Swatch in dat kader heeft gerefereerd aan
hetBusiness Plan(onderstrepingen rechtbank).
Article 3.1 WTSA only implies an express obligation for TWC”. In dit verband is van belang dat TWC (in het arbitrale vonnis ook Watch Company genoemd) was opgericht door Swatch om Tiffany & Co. horloges te produceren, distribueren, marketen en verkopen; TWC was volledig in eigendom van Swatch en Swatch had volledige zeggenschap over TWC, zoals in r.o. 2.2 al kort is vermeld. Bovendien overweegt het Scheidsgerecht in overweging 93 ten aanzien van het
Business Plan: “
Respondents are right that there was no express term obligating them to order new models in certain quantities” alsmede in overweging 96: “
the Business Plan does not amount to an obligation to meet the targets”. De door partijen overeengekomen rechtsgevolgen bleken dus uit artikel 3.1 WTSA en het
Business Planin die zin dat de overeenkomsten in dit kader geen
express obligationsbevatten voor Tiffany.
Business Plannader geanalyseerd en - op basis daarvan - tot
implied obligationsvoor Tiffany geconcludeerd. Daardoor zijn arbiters buiten de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen getreden en hebben zij de expliciete bepalingen van de overeenkomsten aangevuld. Arbiters spreken zelf ook (expliciet) over “
implied obligations” “
extending beyondthe express contract terms” (overweging 93, onderstreping rechtbank).
express conditions, terms or provisionsvan de overeenkomsten) zijn arbiters met hun nadere analyse - ook als deze juist zou zijn - verder gegaan dan op grond van de opdracht was toegestaan. Arbiters hebben daarmee de grenzen van de rechtsstrijd en de aan te leggen beslissingsmaatstaf miskend.”
het hof). Tiffany heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. In hoger beroep hebben partijen memories gewisseld en de zaak doen bepleiten.
De opdracht aan het scheidsgerecht
may not change, modify or alter any express condition, term or provision” niet eenduidig is. Deze opdracht verplicht het scheidsgerecht immers een uitdrukkelijke bepaling niet anders dan ongewijzigd toe te passen, maar zij laat na te bepalen of de voorgeschreven toepassing vergt dat de uitdrukkelijke bepalingen in “beperkte” zin wordt opgevat, derhalve strikt en naar de letterlijke betekenis genomen, of moet worden opgevat in “ruime” zin, derhalve met inbegrip van de daarin begrepen en daaraan verbonden rechtsgevolgen die voortvloeien uit uitleg en hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid vergen (dit laatste verder ook de “goede trouw”).
Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”
change, modify or alter” niet aanstonds duidelijk of het beding aldus moet worden begrepen dat het verbod alleen ziet op een
veranderingvan een uitdrukkelijk geformuleerde verplichting, zoals The Swatch lijkt te betogen, of dat het ook ziet op een
toevoegingvan een verplichting, zoals Tiffany voorstaat. Bovendien maken de woorden “
any express condition”, zoals hiervoor gezegd, op zichzelf niet aanstonds duidelijk of daarmee bedoeld worden de uitdrukkelijke bepalingen in de hiervoor omschreven “beperkte” zin of in de hiervoor omschreven “ruime” zin.
whether or not expressly stated in the language defining the obligation”).
entire agreement clauseis opgenomen. Een
entire agreement clauseis op zichzelf geen uitlegbepaling. De clausule heeft naar Nederlands recht ook niet zonder meer een bijzondere betekenis (vergelijk HR 5 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BY8101, Lundiform/Mexx). Tiffany heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat deze clausule in de overeenkomsten een verder strekkende betekenis heeft dan, zoals deze clausule in de regel beoogt te bewerkstelligen, dat partijen niet zijn gebonden aan eerder gemaakte afspraken of afspraken die niet uit de overeenkomst voortvloeien. Dit betekent dat deze clausule niet in de weg staat aan het aanvaarden van verplichtingen, die door uitleg of de aanvullende werking van de goede trouw door de (uitdrukkelijke bepalingen van de) onderhavige overeenkomsten in het leven worden geroepen.
It finds it reasonable that in this respect Dutch law requires strong reasons for quashing an already rendered award, since the quashing will often mean that a long and costly arbitral procedure will become useless and considerable work and expense must be invested in proceedings."
Collection Book,opleiding en etalagemateriaal) uit het niets heeft geïntroduceerd. Het hof is evenwel van oordeel dat het scheidsgerecht aan deze beslissingen, na de voorafgaande overwegingen en beslissingen, klaarblijkelijk ten grondslag heeft gelegd zijn eerder verwoorde oordeel dat Tiffany, vanuit haar uitdrukkelijke verplichting om de horloges in haar winkels voor de verkoop uit te stallen, zich diende in te spannen om de horloges ook daadwerkelijk in voldoende mate te verkopen met het oog op de uit het business plan blijkende doelstellingen en dat deze inspanningen ook betrekking hebben op het gebruik van het Collection Book, opleiding van personeel en etalagemateriaal, zonder welke naar het kennelijke oordeel van het scheidsgerecht de haalbaarheid van de verkoopdoelstellingen aanzienlijk wordt bemoeilijkt. Ook met deze overwegingen en beslissingen is het scheidsgerecht aldus niet buiten het kader van zijn opdracht getreden. Het oordeel van het scheidsgerecht dat het gebruik van het Collection Book, opleiding van personeel en etalagemateriaal tot de te leveren inspanningen behoorden is een inhoudelijk oordeel van het scheidsgerecht over de reikwijdte van hetgeen onder de gegeven omstandigheden de eisen van de goede trouw vergden, en is, indachtig de gepaste terughoudendheid, aan een nadere beoordeling door het hof onttrokken.”
monobrand stores(rov. 3.27.4); en
Tourbillion’ en de verkoop op vliegvelden (rov. 3.27.5).
Subject to dissenting opinion” zou betekenen dat het arbitrale vonnis niet in overeenstemming met de eisen van de wet en die van het arbitragereglement is ondertekend. Prof. Hanotiau heeft zich neergelegd bij het oordeel van de meerderheid en heeft daarom onvoorwaardelijk ingestemd met het dictum, daarbij aantekenend dat hij het niet op alle onderdelen met het vonnis eens is (zie rov. 3.41).
3.Voorafgaande opmerkingen
dissenting opinionafgegeven. Dit alles zou m.i. evenwel geen reden moeten zijn om van de overheidsrechter in een vernietigingsprocedure te eisen dat hij een minder terughoudende opstelling aan de dag legt dan uit vaste rechtspraak volgt (waarover hierna meer). M.i. is er ook niets dat aan toepassing van art. 81 RO Pro in de weg zou staan indien Uw Raad van oordeel is dat het cassatieberoep van Tiffany moet worden verworpen. [10] Dat het scheidsgerecht ook tot een andere uitkomst had
kunnenkomen, zoals de
dissenting opinionillustreert, maakt dit niet anders, omdat dit even goed het geval is bij veel uitspraken van de overheidsrechter (waar geen
dissenting opinionskunnen worden afgegeven).
remission) [18] en (iv) indien er grond is voor een vernietiging, een partiële vernietiging voorop staat. [19]
Bij zijn onderzoek of er grond voor vernietiging bestaat, moet de rechter terughoudendheid betrachten. Deze regel hangt onder meer hiermee samen dat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep, en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen (…).” [20]
IMS/Modsaf II, dat gaat over de vernietigingsgrond onder e, werd bevestigd dat de overheidsrechter slechts in ‘sprekende gevallen’ van schending van openbare orde mag ingrijpen. [21]
niet tot vernietiging kan leiden indien het niet houden aan de opdracht niet van ernstige aard is” codificeert deze rechtspraak. [24] Aan deze clausulering komt de rechter niet toe als geen schending van de opdracht kan worden vastgesteld.
Nanninigepreciseerd:
[...]/[...]van 22 december 2006:
3.Bespreking van het principaal beroep
eerste drie onderdelenbetreffen het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht zich wél aan zijn opdracht heeft gehouden en dat de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1 aanhef Pro en onder c, Rv (oud) zich niet voordoet. Die conclusie bereikt het hof op basis van twee uitlegoordelen, namelijk (i) de uitleg van art. 30.3.8 WTSA en (ii) de uitleg van het arbitraal vonnis. Het hof overweegt immers, kort samengevat, dat (ad (i)) het scheidsgerecht ook andere dan uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen van Tiffany mocht vaststellen, zolang deze maar krachtens de eisen van de goede trouw voortvloeien uit uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen (zie rov. 3.21), en dat (ad (ii)) het scheidsgerecht dat ook concreet heeft gedaan en in zoverre binnen de grenzen van zijn opdracht is gebleven. De onderdelen 1 en 2 richten zich tegen de uitleg door het hof van art. 30.3.8 WTSA, terwijl onderdeel 3 zich richt tegen de uitleg door het hof van het arbitraal vonnis.
dat de in de WTSA uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen tevens die verplichtingen meebrengen die de goede trouw vergt met het oog op het behoud van een langdurige relatie”, terwijl het bestreden uitlegoordeel van het hof nu juist in belangrijke mate op die bepaling is gebaseerd. Het is immers op grond van art. 1.14 WTSA dat het hof een ruimere betekenis heeft toegekend aan de in art. 30.3.8 WTSA geformuleerde opdracht dan Tiffany – op basis van een strikt taalkundige uitleg – had bepleit. Dit blijkt m.i. ook daar uit dat het hof verwijst naar de “
eisen van de goede trouw”, nu ook in genoemd art. 1.14 wordt gesproken over de uitvoering van de over en weer aangegane verplichtingen “
in good faith”.
express termsstaan vermeld, maar daar wel in besloten liggen en die door uitleg aan het licht zijn gekomen. Daarom heeft het scheidsgerecht de overeenkomsten m.i.
nietaangevuld, laat staan de
express termsveranderd, gewijzigd of aangepast, maar verplichtingen vastgesteld die, ook als die niet uitdrukkelijk in een van de contractsbepalingen staan, onderdeel van de contractuele afspraken zijn. Het gaat m.i. dus niet om verplichtingen die op grond van de wet, het gebruik of de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW Pro en art. 6:248 BW Pro) zijn toegevoegd. Daar komt bij dat de redelijkheid en billijkheid onder de (oude) naam goede trouw onderdeel uitmaakte van de contractuele afspraken tussen partijen (art. 1.14 WTSA). Er was daarom in de contractuele rechtsverhouding geen leemte die door aanvulling moest worden opgevuld.
heeftaangevuld. [28] Dáártegen komt Tiffany op. Het hof heeft echter overwogen dat in dit geval uitleg van de overeenkomst en aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid
onvoldoendeonderscheidend vermogen hebben, omdat zij in elkaar overlopen” (rov. 3.17). Het praktisch resultaat bij uitleg en bij aanvulling zou daarom het zelfde zijn. Ik ben het daarmee eens. Uitleg en aanvulling op grond van de redelijkheid en billijkheid dienen weliswaar conceptueel te worden onderscheiden – al was het maar omdat pas door (normatieve) uitleg aan het licht kan komen of er een noodzaak tot aanvulling of beperking bestaat –, dit laat echter onverlet dat beide in veel gevallen elkaar (deels) overlappen of in elkaar overlopen, zoals ook in de literatuur is onderkend. [29] Het hof is daarom niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan in procesinleiding, nr. 9 is gesteld, heeft het hof ook niet miskend dat uitleg en aanvullende werking verschillende leerstukken zijn die zich onderscheiden in de wijze waarop de rechtsgevolgen tot stand komen. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.
betekenis die partijen aan die bepaling hebben willen geven, zoals het hof in rov. 3.11 e.v. heeft onderkend. Het verschil tussen de leerstukken van uitleg en aanvulling van overeenkomsten – wat daar verder ook van zij – is
op zichzelf beschouwddan ook niet relevant. Dat kan anders zijn als partijen hun
bedoelingvan dat verschil afhankelijk hadden willen maken. Daarvan is hier geen sprake, zo overweegt het hof in rov. 3.16 (in cassatie onbestreden). Ik acht het inderdaad niet aannemelijk dat partijen, toen zij kozen voor Nederlands recht, een onderscheid hebben willen maken voor uitleg aan de hand van de Haviltex norm (wat niet door de beperking in de opdrachtverlening zou zijn uitgesloten) en verplichtingen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (die wél zouden zijn uitgesloten). [30]
express termsuit de overeenkomsten mag aanvullen met de verplichtingen die op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid uit die
express termsvolgen. Deze uitleg van art. 30.3.8 WTSA is volgens Tiffany onbegrijpelijk (nr. 16), omdat die erop neerkomt dat het scheidsgerecht de
express termswèl mag wijzigen, zo lang het dat doet onder het mom van uitleg of aanvulling van een andere
express term, in dit geval de
display-verplichting. Dit staat haaks op de tekst van art. 30.3.8 WTSA (nr. 17). Het gevolg van deze uitleg is volgens haar dat het scheidsgerecht een verplichting tot het behalen van bepaalde verkoop-targets heeft aangenomen die niet was overeengekomen. Het scheidsgerecht heeft de verplichting van TWC om haar vraag naar horloges (
requirements) te dekken getransformeerd in een minimumafnameverplichting van Tiffany (nr. 18). Voorts stelt Tiffany dat het hof niet heeft gerespondeerd op haar stellingen dat het scheidsgerecht bepaalde
express termsheeft gewijzigd (nr. 19).
alsdaar in dit geval al sprake van is geweest, niet een wijziging van de overeenkomsten behelst. In het systeem van Boek 6 BW heeft een overeenkomst, naast de rechtsgevolgen die partijen zijn overeengekomen, van meet af aan ook de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid. Die rechtsgevolgen bestaan dus reeds en ontstaan niet als gevolg van wijzigingen. Tevens heb ik al gewezen op art. 1.14 WTSA, welke bepaling meebrengt dat uit de
express termsook verplichtingen kunnen voortvloeien die de redelijkheid en billijkheid vergen. Tot slot is onjuist de kennelijke aanname van Tiffany dat art. 30.3.8 WTSA enkel taalkundig kàn worden uitgelegd. Niet kan worden gezegd dat de tekst van art. 30.3.8 WTSA slechts één uitleg toelaat, inhoudende dat het scheidsgerecht geen impliciete verbintenissen mocht vaststellen. De tekst is niet eenduidig, zodat uitleg nodig is, zoals het hof in rov. 3.19 terecht overweegt. Het oordeel van het hof is bij die stand van zaken dan ook niet onbegrijpelijk.
requirementverplichting van TWC een minimumafnameverplichting voor Tiffany heeft gemaakt. Het hof overweegt in rov. 3.27.2 dat ook Tiffany zich “
diende in te spannen” om de horloges in voldoende mate te bestellen ten einde ze vervolgens aan de man te brengen. De klachten in nr. 18 van de procesinleiding missen in zoverre feitelijke grondslag. Tot slot, en anders dan in nr. 19 wordt betoogd, heeft het hof wel degelijk gerespondeerd op de stelling van Tiffany dat het scheidsgerecht bepaalde
express termsheeft gewijzigd. Het hof heeft die stelling in rov. 3.27.2 op de zojuist genoemde grond, en dus gemotiveerd, verworpen.
express terms’ uit te leggen dan “de beperkte uitleg” (naar de letterlijke betekenis) en de “ruime uitleg” (met inbegrip van de rechtsgevolgen die voortvloeien uit zowel uitleg als wat de redelijkheid en billijkheid vergen). Daardoor zou het hof de door Tiffany voorgestane uitleg hebben geëcarteerd, welke uitleg erop neerkomt dat het begrip ‘e
xpress terms’wel uitleg “volgens de normale regels” bevat maar geen aanvulling (nr. 22). Ik merk dienaangaande op dat, áls in rov. 3.10 al een oordeel is gegeven, ik dit niet onbegrijpelijk acht. Het hof heeft de door partijen gegeven uitleg van art. 30.3.8 WTSA in rov. 3.6 weergegeven en het heeft in de overwegingen die daarop volgen, waaronder rov. 3.10, daarop voortgebouwd.
subonderdeel 2cdeelt in het lot van subonderdelen 2a en 2b.
Onderdeel 3klaagt erover dat het hof in de rov. 3.27.2, 3.27.3 en 3.27.5 buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door de zaak af te doen op basis van een lezing van het arbitrale vonnis die partijen niet voor ogen hebben gehad en (dus) ook niet hebben bediscussieerd. [32] Concreet richt deze rechtsklacht zich tegen de hiervoor in nr. 16 samengevatte verwijten onder f) (onvoldoende afname), onder g (Collection Book), onder i) (opleiding personeel) en onder j) (etalagemateriaal), alsmede tegen het verwijt ter zake van de
Tourbillionwinkels. De kritiek spitst zich toe op het verwijt onder f): waar het scheidsgerecht de op Tiffany rustende verplichting tot voldoende verkoop afleidde uit het Business Plan, leidt het hof die eigenmachtig af uit de
display-verplichting (nrs. 29-35). Daarmee zou het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen (in hoger beroep) zijn getreden (nr. 36). Tiffany voegt daaraan toe dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat noch het arbitraal vonnis noch het debat tussen partijen in de vernietigingsprocedure enig aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat uit de expliciete
display-verplichting een verkoopverplichting zou kunnen worden afgeleid (nr. 37). Ten aanzien van de overige verwijten geldt volgens Tiffany
mutatis mutandishetzelfde: het hof heeft een lezing van het arbitrale vonnis aangehouden, die daar niet in is terug te vinden en in de vernietigingsprocedure niet ter discussie heeft gestaan.
scheidsgerechtbuiten de rechtsstrijd van partijen is getreden en daarom zijn opdracht heeft geschonden, maar dat het
hof,door een onjuiste lezing van het arbitraal vonnis te geven als appelrechter buiten de rechtsstrijd zou zijn getreden en, kennelijk, in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag zou hebben aangevuld. Waar in onderdelen 1 en 2 werd betoogd dat het
scheidsgerechtde overeenkomsten heeft aangepast (in strijd met art. 30.3.8 WTSA), stelt onderdeel 3 dus aan de orde dat
het hofhet arbitraal vonnis heeft aangepast en het bestreden arrest daarom zou moeten worden vernietigd.
Slotervaartziekenhuis:
display-verplichting (in art. 5.2 en 6.2 WTSA) tot het door de grieven ontsloten gebied. [36]
display-verplichting onbegrijpelijk is. Volgens Tiffany heeft het scheidsgerecht die verplichting enkel en alleen gebaseerd op het Business Plan, in samenhang met art. 3.1 WTSA (vgl. procesinleiding, nr. 33).
display) van artikelen en het verkopen daarvan:
displayis een manier (middel) om de verkoop (doel) te bevorderen. Een wederverkoper die de contractproducten onvoldoende tentoonstelt in zijn winkel of op zijn website levert geen adequate verkoopinspanning. [37] Het hof kon daarom oordelen dat er een verband bestond tussen de expliciet opgenomen
display-verplichting en de verplichting zich in te spannen om voldoende Tiffany-horloges te verkopen, mede tegen de achtergrond dat Tiffany’s eigen winkels als de ‘
primary driver’ voor de verkoop vanuit TWC golden. De motiveringsklacht dat de door het hof in rov. 3.27.2 aan het arbitraal vonnis gegeven uitleg onbegrijpelijk is, dient daarom m.i. te falen. Het zelfde geldt voor zover de klacht zich richt tegen de oordelen in rov. 3.27.3 en 3.27.5, nu Tiffany daarvoor geen nadere argumenten heeft aangevoerd.
display-verplichting heeft aangeknoopt, betekent dat niet dat het hof, door zelf dat verband wèl te leggen, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, zoals het onderdeel aanvoert. Immers, uit het hiervoor in nr. 53 geciteerde arrest
Prudential Bache Securities Hollandvolgt nu juist dat, wanneer partijen een verschillende uitleg geven aan een arbitraal vonnis, de rechter een eigen uitleg mag geven, zonder dat dit ertoe leidt dat hij buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt.
display-verplichting en haar inspanningsverplichting en het andersluidende oordeel van het hof daarom onbegrijpelijk is, dan brengt dat niet mee dat het bestreden arrest moet worden vernietigd. Aangezien (i) het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat het scheidsgerecht de opdracht had geschonden en de tegen dat oordeel ingebrachte klachten in cassatie falen (zie hiervoor, onderdelen 1 en 2), (ii) de rechtbank heeft geoordeeld dat Tiffany tevergeefs beroep heeft gedaan op de andere door haar in eerste aanleg aangevoerde vernietigingsgronden en het hof dat in het incidentele appel heeft bevestigd, en (iii) de hier besproken motiveringsklacht niet wordt gekoppeld aan enige vernietigingsgrond als bedoeld in art. 1065 lid 1 Rv Pro, kan – ook als die klacht op zichzelf genomen gegrond zou zijn – geen cassatie volgen. Deze klacht faalt derhalve wegens gebrek aan belang.
Onderdeel 4klaagt dat het hof heeft miskend dat de vraag naar de bevoegdheid van het scheidsgerecht integraal en dus niet terughoudend moet worden getoetst. Het richt zich tegen de oordeelsvorming in rov. 3.31-3.32 van het bestreden arrest:
isgestoeld dan de gronden waarop Tiffany – tevergeefs – heeft betoogd dat de arbiters buiten hun opdracht zijn gegaan. Nu die laatste gronden geen doel treffen (zie hiervoor, onderdelen 1 en 2), deelt onderdeel 4 in hetzelfde lot. In die omstandigheden is het niet noodzakelijk in te gaan op de vraag of Tiffany’s stelling, dat art. 30.3.8 WTSA tevens een beperking van de overeenkomst van arbitrage inhoudt, kan dienen als hypothetische grondslag (zoals Tiffany stelt, maar Swatch betwist). [38]
Onderdeel 5klaagt dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het betoog van Tiffany dat het scheidsgerecht zijn oordeel dat Tiffany haar inspanningsverplichting heeft geschonden, onvoldoende heeft gemotiveerd (“
ontbrekende motivering in het kwadraat”). Het onderdeel richt zich tegen rov. 3.49 van het bestreden arrest.
[...]/[...] [39] te hebben geciteerd, overweegt het hof:
Business Plante halen [40]
nietonder de in
[...]/[...]geformuleerde ondergrens komt. Uit het oordeel in zijn geheel is wel degelijk op te maken wat de gedachtegang van het scheidsgerecht is geweest. Samengevat: de geringe inkoop van horloges in vergelijking met de in het Business Plan opgenomen aantallen te bestellen horloges toont aan dat Tiffany niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om voldoende horloges te bestellen en te verkopen (vgl. vooral nr. 96).
heeft het hof hiervoor overwegingen van het scheidsgerecht aangehaald”), in welke overweging het hof verwijst naar nr. 96 van het arbitraal vonnis. Daaruit leidt het hof af, nog steeds in rov. 3.27.2, dat het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat op Tiffany de verplichting rustte om zich in te spannen om daadwerkelijk in voldoende mate horloges te bestellen en te verkopen en dat Tiffany daarin is tekort geschoten.
[...]/[...]. Het onderdeel slaagt daarom niet.