Conclusie
3.Het eerste middel
aangever [betrokkene 1]:
aangever [betrokkene 1]:
J.J.F.A.M. Ruijgrok:
getuige [getuige 1]:
verdachte
'U vraagt mij of er een conflict aan vooraf is geweest. Dit is echter niet het geval',p. 4.
'Op een gegeven moment heb ik denk ik, een van deze jongens aangestoten, niet met opzet. Het kan gebeuren dat je op de dansvloer aan het dansen ben je iemand per ongelijk aanstoot', p. 10).
"We waren gewoon in Lets Get Down, we liepen het rook hok uit. Die jongen stond voor me en was me aan het uitdagen. Hij ging echt heel dicht op me staan, je kent dat wel. Ineens geduw en dan die kopstoot"(p. 46).
'Ik hoorde dat jongen 1 buiten op straatdiscriminerende taaluitsprak. Ik hoorde dat hij onder ander zei “kanker buitenlanders, kanker Marokkanen ik sla ze allemaal kapot”'(p. 36). [betrokkene 1] is in de verklaring jongen 1.
'Ik liep in de richting van de DJ die ik kende en onderweg naar hem toe viel mij een persoon op die zichnogal wild gedroeg.Qua dansen en gek doen op de dansvloer ik zag dat die jongen onder andere gekleed was in een wit T-shirt met aan de voorzijde een zwarte print (...) Ik zag dat een van die jongens, die gekleed was in een wit T-shirt met aan de voorkant een zwarte print,helemaal uit zijn plaatging. Ik zag dat die jongen werd vastgehouden door een aantal mensen en dat hij zich daarvan lostrok'(p. 34). Deze jongen is [betrokkene 1].
'Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde en zag dat [betrokkene 1]zeer onrustigwas. Ik hoorde hem ook steedstwijfelenover het feit of hij aangifte wilde doen'(p. 17). Waarom zou [betrokkene 1] zo twijfelen of hij aangifte wilde doen als hij zelf niet eens geslagen heeft?
4.Het tweede middel
Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]