Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
door het overlijdenvan erflaatster, ingevolge artikel 13a SW, geen (verdere) waardestijging van de aandelen heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de verdere waardestijging van de aandelen ex artikel 13a van de SW maximaal € 6.400 bedraagt, zijnde drie maal de maandelijkse lijfrente-uitkering van € 2.133, nu erflaatster drie maanden eerder is overleden dan bij de prognose was verwacht.
door het overlijdenvan erflaatster. Het Hof heeft daartoe overwogen dat uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 13a van de SW valt af te leiden dat sprake is van een fictieve verkrijging als bedoeld in artikel 13a van de SW, indien er een concreet en voldoende sterk causaal verband is tussen de waardestijging van de aandelen en het overlijden van erflaatster. Dat doet zich hier volgens het Hof voor.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
179.334
77.592
14.549
3.Het geding in cassatie
4.Wetteksten, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
5.Beoordeling van de klachten
door het overlijdenvan erflaatster, zodat de latere fictieve verkrijging ex artikel 13a SW nihil bedraagt. Belanghebbende meent dat voor het bepalen van de waardestijging aansluiting dient te worden gezocht bij de waarde in het economische verkeer. Dat leidt belanghebbende af uit artikel 21 SW Pro, uit de wettekst en uit de parlementaire geschiedenis behorend bij artikel 13a SW, en dan met name uit de nota naar aanleiding van het verslag waarin de toenmalige Staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat ‘voor de bepaling van de waarde van (incourante) aandelen geen vaste regels te geven zijn. Een dergelijke waardering is sterk afhankelijk van de aard van de onderneming en van de overige bezittingen van het lichaam. (…) Wellicht ten overvloede kan ik hierbij nog opmerken dat voor de toepassing van het voorgestelde artikel 13a niet de absolute waarde van de aandelen van belang is, maar slechts het verschil in waarde van de aandelen tussen het tijdstip vóór en het tijdstip na het overlijden’.