ECLI:NL:PHR:2001:AB3115
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepassing fictiebepaling successierecht aandelen pensioen-B.V.
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem over de toepassing van artikel 13a van de Successiewet 1956. De belanghebbenden, houders van aanmerkelijk belang in een pensioen-B.V., werden aangeslagen voor successierecht op grond van de fictiebepaling dat aandelen in een pensioenlichaam die gehouden worden door anderen dan de erflater geacht worden krachtens erfrecht te zijn verkregen.
De belanghebbenden betoogden dat de pensioen-B.V. niet als pensioenlichaam kan worden aangemerkt omdat zij ook andere activiteiten verrichtte, en dat artikel 13a Sw slechts bedoeld was om bepaalde kindconstructies te bestrijden. Het hof verwierp deze stellingen. De Hoge Raad analyseert uitgebreid de parlementaire geschiedenis, doel en strekking van artikel 13a Sw, en constateert dat de wetgever een bredere toepassing beoogde dan alleen het bestrijden van kindconstructies.
De Hoge Raad bespreekt ook de problematiek van dubbele heffing bij opeenvolgende overlijdens en de toepassing van de hardheidsclausule. Verder wordt de vraag behandeld of de regeling in strijd is met het discriminatieverbod uit artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro, vanwege de beperking tot pensioen- en lijfrentelichamen. De conclusie is dat de aanslagen aan sommige belanghebbenden vernietigd moeten worden en de aanslag aan de echtgenoot verminderd, vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel en toepassing van de hardheidsclausule.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de aanslagen voor zwager en schoonzuster en vermindert de aanslag voor de echtgenoot wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel en toepassing van de hardheidsclausule.