Conclusie
1.Feiten en procesverloop
nietwordt ontbonden door [eiseres 1] .’
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onderdeel 2. Dat onderdeel richt zich met diverse klachten tegen het oordeel van het hof dat [betrokkene 3] als bevoegd bestuurder zelf met de inhoud van de (initiële) koopovereenkomst heeft ingestemd, althans dat [verweerder] c.s. in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten aannemen dat [eiseres 1] aan [betrokkene 2] een toereikende volmacht had verleend ter zake van de (initiële) koopovereenkomst en de aanvullende overeenkomst.
onder 2.1dat voor zover het hof in rechtsoverweging 4.9 heeft geoordeeld dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen omdat [betrokkene 3] zelf de daartoe noodzakelijke rechtshandeling heeft verricht, dat oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat een meerzijdige rechtshandeling niet alleen een op rechtsgevolg gerichte wil maar ook een wilsverklaring vereist.
Onder 2.2betogen zij dat indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is in het licht van de vaststellingen door het hof dat de koopovereenkomst in oktober 2008 tot stand is gekomen en dat [betrokkene 3] tussen het eerste contactmoment op 3 september 2008 en de bespreking van 2 december 2008 geen feitelijke, althans voor [verweerder] c.s. kenbare bemoeienis heeft gehad met de onderhandelingen en de voorwaarden waaronder de koopovereenkomst en de aanvullende overeenkomst werden gesloten. Met die vaststellingen verhoudt zich niet dat [betrokkene 3] jegens [verweerder] c.s. zijn wil heeft geopenbaard door middel van een verklaring.
aanvullendeovereenkomst tot stand is gekomen, nu [betrokkene 3] daarmee hoe dan ook nooit (intern) heeft ingestemd, laat staan ter zake zijn wil heeft geopenbaard jegens [verweerder] c.s.
Onder 2.4betogen [eiseres] c.s. dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] c.s. gebonden zijn aan de aanvullende overeenkomst omdat zij hebben ingestemd met de koopovereenkomst, het hof heeft miskend dat de wil van de vertegenwoordigingsbevoegde een rechtshandeling van een bepaalde inhoud te verrichten, niet (zonder meer) mede de wil inhoudt een rechtshandeling van een andere inhoud te verrichten. Indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat niet is vastgesteld dat en waarom de wil van [betrokkene 3] om de koopovereenkomst aan te gaan mede de wil inhoudt om de aanvullende overeenkomst aan te gaan.
eerderetransacties, niet behoeven te begrijpen dat [betrokkene 2] niet bevoegd was om namens [eiseres 1] bindende afspraken te maken. Onder meer in het licht van de door het hof vastgestelde instemming van [betrokkene 3] met de uitgangspunten voor de koopovereenkomst, bezegeld met het geven van handdrukken en de woorden van [betrokkene 3] ‘Een man een man, een woord een woord’ (rechtsoverweging 4.3), is ’s hofs oordeel voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
nietenkel heeft gegrond op handelingen en gedragingen van [betrokkene 2] als onbevoegd handelend persoon.
onder 2.9.
onderdeel 1. Dat onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 4.5-4.7 en 4.9 van het tussenarrest. Overweging 4.9 heb ik hiervoor onder 2.4 reeds aangehaald. Ik citeer op deze plaats daarom alleen de overwegingen 4.5-4.7:
onder 1.4-1.7zien alle erop dat het hof voorbij is gegaan aan het (tegen)bewijsaanbod van [eiseres] c.s. tot het horen van getuigen, waaronder [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , van de stelling dat partijen overeengekomen zijn dat in de concept-koopovereenkomst geen ontbindende voorwaarde ten aanzien van hindercirkels is overeengekomen, omdat eerst onderzoek naar hindercirkels zou plaatsvinden voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst, in die zin dat voor het aangaan van de koopovereenkomst essentieel was dat geen sprake was van hindercirkels.
aanvullendeovereenkomst’.
totstandkomingsvoorbehoud hun in dit geding de beste kansen biedt, dat het hof gehouden was om daarover de in het aanbod genoemde getuigen te horen? Uiteraard niet. Zoals het hof in het slot van rechtsoverweging 4.7 tot uitdrukking brengt, stond de precieze juridische duiding partijen in hun onderlinge contacten niet (telkens) scherp voor ogen. Daarom behoefde het hof het bedoelde aanbod niet op te vatten als ziende op concrete feitelijke omstandigheden, die zich voor bewijs lenen. Het middel duidt zulke concrete feitelijke omstandigheden ook niet aan. In plaats daarvan mocht het hof het aanbod opvatten als niet ter zake doende, omdat werd aangeboden dat de feiten in een bepaalde zin moeten worden uitgelegd (namelijk dat partijen iets waren overeengekomen), welke uitleg een
waarderingvan de feiten betreft, die zich niet voor bewijs leent.
Indienhet nadere overleg binnen acht weken na aanvang van dat nadere overleg niet tot een bevredigend resultaat heeft geleid
kan[eiseres 1] de koopovereenkomst ontbinden.’ (onderstrepingen toegevoegd, A-G)
onder 3.3stuit af op het niet onbegrijpelijke andersluidende oordeel van het hof.