Conclusie
middelklaagt dat ’s hofs oordeel dat de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde diefstal duidelijk is gewezen op zijn recht op verhoorbijstand en dat hij van dat recht ondubbelzinnig afstand heeft gedaan onbegrijpelijk is. Derhalve heeft het hof ten onrechte de bekennende verklaring van de verdachte, die niet was gewezen op zijn recht op bijstand van een raadsman tijdens het verhoor, tot het bewijs gebezigd. Daardoor zou het recht van de verdachte op een eerlijk proces zijn geschonden.
voorde aanvang van het verhoor niet is gewezen op zijn recht op consultatie van een raadsman laat vallen maar wel van mening is dat verdachte ’s recht op bijstand
tijdensdiens verhoor geschonden is.
(BFK: is)in dat verband betoogd, op grond van feiten en omstandigheden als in haar pleitnota omschreven, dat de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie met betrekking tot de diefstal op 4 november 2015, van het bewijs dienen te worden uitgesloten.
“Ik weet waar ik van verdacht wordt en ik hoef geen advocaat.”
NJ2016/52 m.nt. Klip heeft Uw Raad aangegeven dat indien ‘een aangehouden verdachte niet de gelegenheid is geboden om zich bij zijn verhoor door de politie te laten bijstaan door een raadsman’ zulks in beginsel een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv oplevert (rov. 6.4.1). Uit HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2018,
NJ2016/442 m.nt. Reijntjes [5] volgt dat het recht op verhoorbijstand in het arrest van 22 december 2015 is erkend ‘voor toekomstige gevallen, dus vanaf het wijzen van het arrest op 22 december 2015’ (rov. 2.7). Het verhoor van de verdachte in de onderhavige strafzaak vond plaats op 4 november 2015. Ten tijde van dat verhoor gold derhalve het door Uw Raad erkende recht op verhoorbijstand (nog) niet.
is applicable to the situation of the accused persons in the main proceedings’ brengt evenwel niet mee dat er vanuit moet worden gegaan dat de verdachte zich in verband met een verhoor dat
voorafgaandaan die implementatiedatum plaatsvond, ook op de rechten kan beroepen die in de richtlijn worden toegekend. In deze Bulgaarse strafzaak deed zich de situatie voor dat twee verdachten dezelfde raadsman hadden. Volgens de verwijzende rechter was er ‘
a conflict of interest between them because the former provided information that could incriminate the latter, who remained silent’. De verwijzende rechter bracht dat in verband met artikel 3, eerste lid, van Richtlijn 2013/48 (rov. 43). Dat artikellid bepaalt: ‘
Member States shall ensure that suspects and accused persons have the right of access to a lawyer in such time and in such a manner so as to allow the persons concerned to exercise their rights of defence practically and effectively.’ Wat de verwijzende rechter volgens het Hof van Justitie wilde weten, was ‘
whether Article 3(1) of Directive 2013/48 must be interpreted as precluding national legislation that requires a national court to dismiss the lawyer instructed by two accused persons, against their wishes, on the ground that there is a conflict of interest between those persons and, further, as precluding the court from allowing those persons to instruct a new lawyer or, when necessary, itself naming two court-appointed lawyers, to replace the first lawyer’(rov. 101). Het verbaast niet dat het Hof van Justitie oordeelde dat de richtlijn van toepassing was op de beantwoording van deze vraag. Het antwoordde dat het artikellid een en ander niet uitsluit. [12]
(BFK: HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608, NJ 2016/52 m.nt. Klip en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2018, NJ 2016/442 m.nt. Reijntjes)betreft ook niet een uitlegging van het nationale recht die, na het verstrijken van de omzettingstermijn, de verwezenlijking van de met Richtlijn 2013/48/EU nagestreefde doelstelling ernstig in gevaar zou kunnen brengen (vgl. HvJ EU 27 oktober 2016, zaak C-439/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:818, punten 31-32).