Conclusie
tot1 april 2001. Nadat in 2002 voorlopige staten van verdeling waren opgemaakt, is omtrent deze vordering in één van de rangregelingen een proefprocedure gevoerd tussen KBC en verzoekster tot cassatie sub 1 (hierna: [verzoeker 1] ). Deze renvooiprocedure, die onder meer heeft geleid tot het arrest van Uw Raad van 28 februari 2014 [1] , is in 2016 tot een einde gekomen.
vanaf1 april 2001 tot de sluiting van de rangregelingen. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat KBC een redelijk belang heeft bij het alsnog toelaten van de aanvullende rente- en kostenvordering, mits zij de door het late aanmelden veroorzaakte kosten en schade van de belanghebbenden voor haar rekening neemt en deze na begroting onverwijld zal storten onder de notaris. Tegen dit oordeel hebben de overige crediteuren, verzoekers sub 1 en 2 (hierna gezamenlijk: [verzoekers]), hun cassatieberoep gericht.
destijds de advocaat van verschillende verzoekers zoals vermeld in de bijlage – A-G] namens zijn cliënten onder andere de vordering “terzake van een vordering uit hoofde van hypotheek" van KBC betwist, zowel wat betreft de grondslag als de hoogte daarvan.
NLG 2.368.978,40.
advocaat van KBC – A-G] laten weten dat tussen KBC en de crediteuren geen overeenstemming is bereikt.
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Voor zover nodig wordt deze aanvullende rente vordering hierbij alsmede ter gelegenheid van de voortgezette verificatievergadering ingediend in de rangregeling.”
KBC verzoekt de rechter-commissaris deze vordering als zodanig in de rangregeling op te nemen en wijzigt voor zover nodig haar op 21 april 2001 ingediende vordering conform het sub 20-27 hiervoor gestelde.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
van art. 482 Rv Pro (oud), A-G] te doen vervangen door de in het tweede lid van artikel 485 Rv Pro [19] begrepen voorziening. Dit betekent dat de aanvullende rente- en kostenvordering van KBC slechts dan tot deze rangregelingen kunnen worden toegelaten als voldaan wordt aan de vereisten van laatstgenoemd artikel. De door KBC subsidiair aangevulde gronden zijn derhalve op zichzelf onvoldoende om de door haar gewenste opneming in dit late stadium te honoreren.
aanmeldingstermijnte doen vervangen door de in het tweede lid van artikel 485 [20] begrepen voorziening. Deze dubbele verwijzing maakt echter ook duidelijk dat in het gedeelte achter de komma ten onrechte alleen gesproken wordt over “het ontvangen kunnen worden in zijn
tegenspraak”. (...)
nog helemaal geen vorderingenbij de rechter-commissaris heeft aangemeld. De rechter-commissaris zou er ten onrechte van uitgaan dat (de wetgever bedoeld heeft dat) ook een schuldeiser als KBC, die
al andere vorderingenbij de rechter-commissaris heeft aangemeld, in de gelegenheid kan worden gesteld om de door haar eerder aangemelde vorderingen aan te vullen met een of meer vorderingen nadat de termijn van artikel 482 lid 2 Rv Pro is verstreken.
aanmeldenvan een vordering. Dit doet de vraag rijzen of de uitzondering in artikel 485a lid 2 Rv ook van toepassing is op belanghebbenden die hun vordering nog niet hebben aangemeld.
wettekstkan op dit punt het volgende worden afgeleid. Nu in artikel 485a lid 2 Rv wordt gesproken over zowel de situatie (i) dat een schuldeiser als bedoeld in artikel 482 lid 2 Rv Pro de daar bedoelde termijn niet in acht heeft genomen (te weten de 14-daagse
aanmeldingstermijn) als de situatie (ii) dat een schuldeiser niet op de in artikel 484 Rv Pro bedoelde dag tegenspraak heeft gedaan, meen ik dat op basis van de wettekst de in de bepaling geboden coulance ook geldt voor schuldeisers die hun vordering nog niet hadden
aangemeld. Uiteraard moet dan nog wel worden voldaan aan de in artikel 485a lid 2 Rv gestelde toelatingseisen.
zowelnog vorderingen mogen aanmelden
alsnog tegenspraak mogen doen voor het sluiten van de rangregeling, onder de voorwaarde van vergoeding van de daardoor veroorzaakte kosten en schade.
literatuurwordt ervan uitgegaan dat de uitzondering die in artikel 485a Rv is opgenomen niet alleen van toepassing is in het geval van het tardief doen van tegenspraak, maar ook in het geval van het tardief
aanmeldenvan een vordering.
aan te melden. Hij merkt hierbij op dat als de schuldeiser door de rechter-commissaris wordt toegelaten in de rangregeling, de andere belanghebbenden in staat moeten worden gesteld de vordering tegen te spreken. [29]
of aanmelding in de vorm van tegenspraakmogen doen. Zij merkt hierbij op dat de wet dan wel eist dat zij een redelijk belang hebben bij die tegenspraak, dat zal ontbreken als de tegenspraak er niet toe kan leiden dat de laatkomer alsnog batig wordt gerangschikt, en dat de laatkomer de (door zijn tardief gedrag veroorzaakte) kosten en schade voor zijn rekening dient te nemen. [31]
niet hebben aangemeldof die niet tijdig tegenspraak hebben gevoerd, doch slechts met inachtneming van de in artikel 485a lid 2 Rv genoemde bijzonderheden. [32]
ofniet op de door de rechter-commissaris bepaalde zitting is verschenen om de staat van verdeling tegen te spreken, dit
een of anderalsnog kan doen, mits hij daarbij een (aan te tonen) redelijk belang heeft en een door de rechter-commissaris te bepalen voorschot op de door zijn tardiviteit noodzakelijk gemaakte kosten betaalt. [33]
allebelanghebbende schuldeisers, dat wil zeggen zonder dat daarbij een beperking wordt aangebracht tot de laatkomers die nog niet eerder een vordering indienden.
vergelijking met de regels van de Faillissementswetingegeven door de opmerking in de toelichting dat de artikelen 482-490a Rv zoveel mogelijk in overeenstemming zijn gebracht met de regels van de Faillissementswet, die in haar artikelen 108-137 (verificatie) een vergelijkbare materie regelt.” [34]
aangemeld– zoals door de rechter-commissaris is beslist, hetgeen door [verzoekers] in cassatie niet wordt betwist –, maar dit ook (ii) door
allebelanghebbende schuldeisers kan geschieden. In ieder geval volgt uit de wet en de wetsgeschiedenis niet dat de coulance voor laatkomers, zoals neergelegd in het huidige artikel 485a lid 2 Rv, slechts zou gelden voor
bepaaldegroepen belanghebbende schuldeisers (zoals belanghebbende schuldeisers die nog helemaal geen vordering hebben aangemeld, zoals [verzoekers] betogen). Onderdeel 1 faalt dan ook.
onderdeel 2dat de rechter-commissaris heeft miskend dat een juiste uitleg van artikel 485a lid 2 Rv en/of de eisen van een goede procesorde eraan in de weg staan dat een schuldeiser als KBC, die al andere vorderingen bij de rechter-commissaris heeft aangemeld, de gelegenheid krijgt om de door haar eerder aangemelde vorderingen aan te vullen met een of meer vorderingen, terwijl:
tegenover(a) het
algemene belangvan berechting binnen een redelijke termijn en/of dat van een doelmatige en voortvarende rechtspleging [41] en (b) het
belang van de crediteurenom niet nog in dit late stadium van de procedure te worden genoodzaakt tot het doen van nieuwe tegenspraak met een nieuwe renvooiprocedure, vertraging en kosten tot gevolg, het oordeel van de rechter-commissaris dat KBC een
redelijk belangheeft bij het alsnog toelaten van haar aanvullende rente- en kostenvorderingen tot de diverse rangregelingen (mits zij de door het late aanmelden veroorzaakte kosten en schade van de belanghebbenden voor haar rekening neemt en deze na begroting onverwijld zal storten onder de notaris) [42] ,
rechtens onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
“[h]et lange tijdsverloop (...) op zichzelf geen voldoende reden [is] om KBC thans niet meer in haar vordering te kunnen ontvangen”.In het bijzonder de omstandigheden onder 1) en 4) zijn omstandigheden die voor rekening en risico van KBC behoren te komen, hetgeen in de afweging van de rechter-commissaris tot uitdrukking had moeten komen, bij gebreke waarvan diens oordeel
niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, aldus het onderdeel. [45]
redelijk belangen (ii) hij neemt de daardoor veroorzaakte
kosten en schadevoor zijn rekening en stort deze tot een door de rechter-commissaris voorlopig te begroten bedrag onverwijld bij de bewaarder van de opbrengst.
lange duurvan de rangregelingen (omstandigheid (1) tot en met (5)) en de
extra kostendie door de late aanmelding worden veroorzaakt (omstandigheid (5)). Op de in het middel aangegeven vindplaatsen hebben [verzoekers] in dit kader bestreden dat KBC nu nog een rechtens te respecteren belang heeft bij het “in dit uiterst late stadium” doen van tegenspraak, althans aanmelden van haar aanvullende vordering. [verzoekers] merken daarbij op dat KBC al in 2002 bij het ter inzage leggen van de voorlopige staten van verdeling hadden kunnen en moeten constateren dat daarin haar rentevordering niet batig was gerangschikt. Zij had daar op dat moment tegen kunnen en moeten ageren en niet pas nu. “
Dat dwingt immers tot het doen van tegenspraak tegen de “aanvullende vordering” en het voeren van verdere renvooiprocedures en leidt tot verdere vertraging, wat allemaal voorkomen had kunnen worden als [KBC] haar vorderingen adequaat had ingediend”, aldus [verzoekers] [49] Ook voeren [verzoekers] aan dat het accepteren van deze aanmelding bovendien leidt tot schade en kosten aan de zijde van de andere belanghebbenden. [50]
kosten, betrokken in de afweging van de relevante omstandigheden van het geval.
vertragingvan de onderhavige procedure. Zoals reeds opgemerkt, komen al deze omstandigheden erop neer dat de gang van zaken met betrekking tot de aanvullende rente- en kostenvorderingen tot vertraging heeft geleid en na toelating nog zal leiden. Ook dit aspect heeft de rechter-commissaris onder ogen gezien en meegewogen in zijn afweging van de omstandigheden van het geval.
of op zijn minst – zoals gebruikelijk is – “pro memorie” [had] kunnen aanmelden”. Vervolgens overweegt de rechter-commissaris in rov. 2.9 dat hij bij zijn oordeel dat KBC een redelijk belang heeft bij het thans aanmelden van haar aanvullende vordering, laat meewegen dat reeds in 2002 door zijn voorganger werd voorzien en uitgesproken dat na afloop van de “proefprocedures” de mogelijkheid zou bestaan dat nog nadere renvooiprocedures gevoerd zouden moeten worden. De passage uit het p-v van 17 juli 2002 waar de rechter-commissaris kennelijk naar verwijst, is aangehaald onder 1.6.3 hiervoor. Daarmee komt de rechter-commissaris tot het oordeel dat het lange tijdsverloop op zichzelf geen voldoende reden is om KBC thans niet meer in haar vordering te kunnen ontvangen.
cassatieverzoekschrift (p. 1) verklaren [verzoekers] (tevens) beroep in cassatie in te stellen tegen de in het proces-verbaal van de voortzetting van de verificatievergadering gehouden op 15 december 2017 vervatte beslissingen. Voor zover het daarbij zou gaan om beslissingen die voortbouwen op de hiervoor tevergeefs bestreden beslissingen, faalt het beroep reeds om die reden. Nu tegen het proces-verbaal overigens geen kenbare klachten worden aangetroffen, faalt het cassatieberoep ook in zoverre.