Conclusie
eerste middelklaagt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, dat niet (zonder meer) uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat (i) de verdachte onvoldoende heeft geanticipeerd op de verkeerssituatie en (ii) dat het slachtoffer onder normale omstandigheden, waarbij de verkeersdeelnemers de toegestane snelheid niet dan wel in mindere mate zouden overschrijden, de kruising veilig had kunnen oversteken, zodat de verwerping van een gevoerd verweer, dan wel de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
verklaring van de verdachteter zitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
verklaring van de verdachteter zitting in hoger beroep, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
verhoor getuigevan de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2012393241-17, op 20 juli 2012 opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als op 20 juli 2012 afgelegde verklaring van
[betrokkene 2]:
verhoorvan de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2012393241-18, op 3 augustus 2012 opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als op 3 augustus 2012 afgelegde
verklaring van [betrokkene 1]:
de getuige [betrokkene 1]:
de letselbeschrijving van [betrokkene 1]:
NJ2011/172 af van verschillende factoren zoals het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag de schuld in de hier bedoelde zin worden afgeleid. [1]
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat mede gelet op de complexiteit van de zaak en het feit dat er getuigen zijn gehoord, geen sprake is van schending van de redelijke termijn in eerste aanleg.
NJ2008/358 m.nt. Mevis (rov. 3.14 en 3.16) als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt dit eveneens. De redelijkheid van de duur van een zaak is, aldus nog steeds de Hoge Raad (rov. 3.13.1) voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden: