In deze zaak heeft het hof Arnhem-Leeuwarden vastgesteld dat betrokkene uit een hennepkwekerij financieel voordeel heeft behaald, vastgesteld op €24.477,35. Het hof baseerde dit oordeel op onder meer vondsten van hennepresten, knipwerkzaamheden en tegenstrijdige verklaringen van betrokkene over het al dan niet mislukken van een eerdere oogst. De verdediging voerde aan dat er geen wederrechtelijk voordeel was behaald en dat de motivering van het hof onvoldoende was.
Daarnaast werd geklaagd over een schending van de redelijke termijn, waarbij werd betoogd dat de termijn al vanaf het politieverhoor in 2013 had moeten lopen. Het hof oordeelde echter dat de redelijke termijn pas aanving op 18 mei 2016, de datum van de zitting bij de politierechter, omdat niet was gebleken dat aan de voorwaarden voor een eerdere aanvang was voldaan.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen. Het oordeel van het hof over het voordeel was niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd, mede gelet op de bewijsmiddelen en de verklaringen van betrokkene. Ook het oordeel over de redelijke termijn was juist, aangezien in cassatie niet kan worden geklaagd over termijnoverschrijding vóór de laatste feitelijke behandeling als ter terechtzitting geen verweer is gevoerd.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.