Conclusie
closed life settlements’. Verweerder in cassatie (hierna: [verweerder] ) heeft in 2008 aan eisers tot cassatie (hierna gezamenlijk: [eiser] ) een dergelijk product verkocht. Om hen over de streep te trekken heeft [verweerder] zich persoonlijk borg gesteld. In cassatie gaat het in de kern om de uitleg van die overeenkomst van borgtocht.
1.Feiten
QI). QI was beheerder van zogenoemde
Closed Life Settlement Funds. In elk van die fondsen werd een Amerikaanse overlijdensrisicoverzekering ingebracht, waarvoor beleggers werden gezocht (zie ook hierna, onder 3).
‘life settlement fund’te participeren en gaf [eiser] uitleg hierover.
het Fonds). [2] Hij heeft USD 116.000,- inleg betaald. Daarna gold een extra inlegverplichting van USD 7.500,- per jaar.
PCI), met zetel in Costa Rica, de verplichting om de verzekerde som aan het Fonds uit te keren. [4] PCI wordt in de stukken aangeduid als ‘de contraverzekeraar’.
2.Procesverloop
de rechtbank) heeft het gevorderde bij verstekvonnis van 2 april 2014 toegewezen.
het hof). [verweerder] heeft het in hoger beroep over een andere boeg gegooid. Hij voerde primair aan dat hij niet gehouden was te betalen omdat zijn verplichtingen als borg niet verder gaan dan die van het Fonds en het Fonds geen betalingsverplichting had omdat aan hem de verzekerde som niet was uitgekeerd.
het arrest) heeft het hof dit argument aanvaard, de bestreden vonnissen vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] afgewezen, [eiser] veroordeeld tot terugbetaling van de door [verweerder] betaalde proceskosten in eerste aanleg en [eiser] hoofdelijk in de kosten veroordeeld. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.Achtergronden
unique selling pointvan de door QI aangeboden producten was dat zij een betrekkelijk korte looptijd hadden. Op de overeengekomen (in beginsel: vaste) einddatum zou aan de participanten in één keer hun aandeel in de verzekerde som volledig worden uitbetaald. [14] Om rendement op hun participatie te behalen hoefden beleggers dus niet te wachten tot het overlijden van de verzekerde. Anders gezegd, zij droegen niet het risico op langer leven.
life settlementproducten van QI aan de man had gebracht – en daarbij in een professionele hoedanigheid leek te handelen – , [18] behoorde zelf kennelijk ook tot de gedupeerden.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
“niet zou uitkeren(…)
omdat het[dat]
niet hoefde omdat het zelf niet betaald kreeg”.
“Uiteraard is een borg niet gehouden tot nakoming voordat de hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekort geschoten.” [21] Tegen de achtergrond van de onbestreden gelaten overwegingen zou het cassatiemiddel reeds daarop moeten stranden. Ten overvloede zal ik hierna de afzonderlijke cassatieklachten bespreken.
onder 2.1.1stelt, wordt hij in de door het hof gekozen benadering niet met een ondoenlijke bewijslast opgezadeld. [eiser] hoefde slechts aan te tonen dat het Fonds de uitkering heeft ontvangen en vervolgens niet heeft doorbetaald. Dat heeft hij niet gedaan. Als hij dit wel had aangetoond, lag het gezien de slotzin van art. 1 van Pro de overeenkomst van borgtocht vervolgens op de weg van [verweerder] om te bewijzen dat het niet-betalen door het Fonds het gevolg is van het faillissement van de (her)verzekeraar. Dit is, opnieuw anders dan [eiser] stelt, in overeenstemming met de tekst van de overeenkomst.
conform voornoemde participatieovereenkomst, geheel bekend bij partij A [ [verweerder] ].”
Sub Ifaalt omdat de tekst van de overeenkomst de door [eiser] voorgestane uitleg daarvan niet ondersteunt en uit de opgesomde feiten en omstandigheden (zie 4.9) niet volgt dat partijen in afwijking van die tekst hebben beoogd overeen te komen dat [verweerder] aan [eiser] zou uitkeren indien het Fonds onverhoopt niet zou uitkeren, waarbij het niet van belang is of het Fonds
“niet zou uitkeren(…)
omdat het[dat]
niet hoefde omdat het zelf niet betaald kreeg”. Voorts is er geen reden om aan te nemen dat het hof heeft miskend dat het bij de uitleg van een overeenkomst niet alleen aankomt op de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof hoefde de in het onderdeel opgesomde feiten en omstandigheden niet uitdrukkelijk in zijn oordeel op te nemen. Het betreft hier, anders dan [eiser] stelt, geen essentiële stellingen. Op dezelfde grond faalt
sub II, [eiser] ziet opnieuw eraan voorbij ziet dat de overeenkomst van borgtocht ook bij de door [verweerder] verdedigde en door het hof als juist aangemerkte uitleg wel degelijk betekenis had.
Sub IIIfaalt omdat in feitelijke aanleg geen beroep op de contra proferentem-regel is gedaan en het hof niet gehouden was dit gezichtspunt ambtshalve bij zijn beoordeling te betrekken. [31] In de blote stelling dat [verweerder] de overeenkomst van borgtocht heeft opgesteld, hoefde het hof geen beroep op dit gezichtspunt te lezen. [32]
onder 2.1.2lijkt een herhaling te vormen van de klacht onder 2.1.1 sub II. Andermaal miskent [eiser] dat de overeenkomst tot borgtocht hem alleen zekerheid gaf voor de situatie dat de verzekerde som aan het Fonds zou zijn uitgekeerd en het Fonds jegens hem in de nakoming van de verplichtingen uit de sub-participatieovereenkomst tekort zou schieten. Voor zover [eiser] stelt dat [verweerder] zich niet aan zijn betalingsverplichting kan onttrekken door te stellen dat de herverzekeraar failliet is, ziet hij eraan voorbij dat [verweerder] heeft gesteld en het hof heeft aangenomen dat op hem geen verplichting op grond van de overeenkomst van borgtocht rust omdat het Fonds geen uitkering heeft ontvangen en niet omdat de herverzekeraar failliet zou zijn gegaan.
subonderdeel 2.1.3constateert [eiser] dat [verweerder] zijn stellingen met betrekking tot wat hij heeft begrepen en heeft mogen begrijpen niet heeft betwist. Genoemde constatering vindt geen steun in de processtukken. [verweerder] heeft in hoger beroep onder meer het standpunt ingenomen dat [eiser] moet worden gezien als een ervaren belegger en dat [eiser] vroeg om een borgstelling. [33] Daarnaast is [verweerder] nader ingegaan op de bewijslast die op [eiser] rust en heeft [verweerder] gesteld dat het voorwaardelijk karakter van de borgstelling duidelijk blijkt uit de verwijzing in de overeenkomst van borgtocht naar de sub-participatieovereenkomst en dat [eiser] dit ook wist. [34] Voorts heeft [verweerder] gesteld dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan zijn kwaliteit als (voormalig) accountant/belastingconsulent. [35] Ik zeg daarmee niet dat die betwisting sterk is, maar stel slechts vast dat de stelling van [eiser] dat [verweerder] zijn stellingen niet betwist heeft, geen steun vindt in de processtukken.
subonderdeel 2.1.3valt uiteen in sub-subonderdelen.
Sub Ibenadrukt [eiser] dat onbestreden is dat zijn eerdere beleggingservaring negatief was en dat de eenzijdig door [verweerder] opgestelde overeenkomst van borgtocht hem over de streep heeft getrokken. Dit zou een essentiële stelling zijn. Dezelfde klacht ligt reeds besloten in subonderdeel 2.1.1. Niet valt in te zien waarom deze omstandigheid het hof had moeten brengen tot de door [eiser] bepleite uitleg.
Sub IIbevat geen klacht.
Sub IIIvormt een herhaling van subonderdeel 2.1.1 en de eerdere klachten van subonderdeel 2.1.3. Onder
sub IV en sub Vstelt [eiser] , onder verwijzing naar het arrest
Kamsteeg/Lisser [36] dat de sub-participatieovereenkomst een aanwijzing kan opleveren van wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst van borgtocht voor ogen stond, maar dat het hof hem op zijn minst tot het leveren van (tegen)bewijs had moeten toelaten nu hij zich op een andere partijbedoeling heeft beroepen. De relevantie van de verwijzing naar genoemd arrest ontgaat mij. Voorts blijkt uit de processtukken niet – er wordt niet verwezen naar vindplaatsen – dat in hoger beroep een bewijsaanbod is gedaan. [37] Het oordeel van het hof dat er geen grond aanwezig is voor bewijslevering is tegen de achtergrond van de daaraan voorafgaande overwegingen niet onbegrijpelijk. Het oordeel dat niet gebleken is van enig andere grondslag, die wegens de devolutieve werking van het appel aan de orde zou moeten komen, is in het licht van de inhoud van de procestukken evenmin onbegrijpelijk.
Sub VI, eerste voorkomenvormt opnieuw een herhaling van de al eerder verworpen klacht onder 2.1.1 dat het hof essentiële stellingen onbesproken heeft gelaten.
Sub VI, tweede voorkomen en sub VIImissen zelfstandige betekenis.
subonderdeel 2.1.4klaagt [eiser] dat het hof niet in zijn beoordeling heeft betrokken dat [verweerder] een professional was. Deze klacht ligt al besloten in subonderdeel 2.1.1 en voegt daaraan niets toe. Niet valt in te zien waarom deze omstandigheid het hof tot een ander oordeel omtrent de uitleg van de overeenkomst van borgtocht had moeten brengen.