Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof de namens de verdachte gedane getuigenverzoeken ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
1.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij het goed onder hun bereik werd gebracht door middel van verbreking. Het hof legde een gevangenisstraf van twaalf weken op, waarvan zes voorwaardelijk. Namens de verdachte werd cassatieberoep ingesteld met als grond dat het hof de getuigenverzoeken in hoger beroep onvoldoende had gemotiveerd afgewezen.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep werd verzocht twee getuigen te horen die belastende verklaringen over de verdachte hadden afgelegd. De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van deze verklaringen met concrete verwijzingen naar het politieverhoor en het strafdossier. Het hof wees het verzoek af op grond van het noodzakelijkheidscriterium met de motivering dat slechts gesuggereerd was dat de verklaringen onbetrouwbaar waren.
De advocaat-generaal oordeelt dat deze motivering niet begrijpelijk is, omdat de verdediging de betrouwbaarheid van de cruciale verklaringen duidelijk heeft bestreden en toegelicht. De verklaringen van de getuigen waren van beslissende betekenis voor de bewijsconstructie. De conclusie luidt dat het arrest vernietigd moet worden en de zaak moet worden terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling binnen het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling van het hoger beroep.