Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat de verdachte door de (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn in de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en (derhalve) in zijn recht op een eerlijk proces is geschaad.
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
derde middelbehelst de klacht dat de schatting door het hof van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd.
“De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
“uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en soortgelijke feiten financieel voordeel heeft genoten.” In de hoofdzaak is niet alleen bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feit 3), maar ook is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met de Opiumwet (feit 1 en 2) en valsheid in geschrift (feit 4). Voorts heeft het hof soortgelijke feiten aan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag gelegd. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof enkel het bewezenverklaarde witwassen aan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag heeft gelegd, berust het middel op een verkeerde lezing van het arrest.
soortgelijke feitenof (3) feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.