ECLI:NL:PHR:2018:1318

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2018
Publicatiedatum
23 november 2018
Zaaknummer
18/00061
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285.1 SrArt. 43a SrArt. 80a ROArt. 81.1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor bedreiging met mes en behandelt responsieplicht in cassatie

De verdachte werd bij verstek door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling door dreigend een mes te tonen en daarmee stekende bewegingen te maken.

In het cassatieberoep stelde de verdediging onder meer dat het hof ten onrechte eerdere veroordelingen buiten de recidivebepaling van artikel 43a Sr had betrokken bij de strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde dat eerdere veroordelingen ook als persoonlijke omstandigheden kunnen worden meegewogen, ook als deze niet onder de recidivebepaling vallen, en verwierp dit middel.

Verder werd geklaagd over het ontbreken van een responsieplicht voor verweren die wel in het appelschrift stonden maar niet op de zitting werden herhaald. De Hoge Raad stelde dat er geen responsieplicht bestaat voor dergelijke niet expliciet op de zitting herhaalde verweren, zeker als de raadsman niet gemachtigd was.

Het cassatieberoep werd uiteindelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden. Over de bewezenverklaring en kwalificatie werd niet geklaagd, waarbij de Hoge Raad bevestigde dat een alternatieve bewezenverklaring toelaatbaar is zolang de strafrechtelijke betekenis van het feit gelijk blijft.

Uitkomst: De veroordeling tot drie weken gevangenisstraf wegens bedreiging met een mes werd bevestigd en het cassatieberoep verworpen.

Conclusie

Nr. 18/00061
Zitting: 27 november 2018
Mr. D.J.M.W. Paridaens
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is bij verstek bij arrest van 1 september 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling” [1] , veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/00062. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.H.S. Brinkman, advocaat te Heerlen, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het
eerste middelberust kennelijk op de opvatting dat het hof enkel acht mag slaan op eerdere veroordelingen indien die vallen onder het bereik van de recidivebepaling uit art. 43a Sr. Die stelling vindt geen steun in het recht aangezien eerdere veroordelingen kunnen gelden als nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968,
NJ2010, 586). De bepaling is niet als zodanig in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen. Er zijn – zoals de steller van het middel ook erkent – eerdere onherroepelijke veroordelingen voor bedreigingen en daarmee mag de rechter rekening houden bij het bepalen van de (hoogte en aard van de) straf.
5. Het eerste middel faalt.
6. Het
tweede en het derde middelberusten op onjuiste rechtsopvatting dat een responsieplicht bestaat voor verzoeken/verweren die in een appelschriftuur staan vermeld en niet uitdrukkelijk op de zitting zijn herhaald.
7. Er zijn geen verweren gevoerd op de zitting van het hof. De aanwezige raadsman was ook niet gemachtigd.
8. Deze middelen falen dus eveneens en evident.
9. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat verdachte hierbij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft en/of de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Over de bewezenverklaring en kwalificatie wordt niet geklaagd. In het algemeen geldt dat een zogenoemde alternatieve bewezenverklaring toelaatbaar is voor zover een keuze uit de in de tenlastelegging alternatief vermelde kwalificaties voor de strafrechtelijke betekenis van het feit van geen belang is, HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, waarin wordt verwezen naar HR 22 april 1986, NJ 1986/827, rov. 6.4). Dat lijkt hier het geval te zijn, zo ook mijn ambtgenoot AG Vegter in zijn conclusie van 12 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ5602. HR: art. 81.1 RO.