- Een verhoor door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam van [aanvrager] in het kader van een vordering inbewaringstelling van 8 februari 2013 (parketnummer 13/701240-13) onder meer inhoudende als verklaring van verdachte dat het de eerste keer is dat hij in Nederland is, dat het niet kan kloppen dat hij justitiële documentatie heeft en dat hij in de periode 2004-2009 diende in het Franse leger in Frans Guyana (bijlage 7 bij de herzieningsaanvraag);
- Een kort overzicht van onder meer gegevens uit een memo van [betrokkene 2] (Justitiële Informatiedienst) van 11 maart 2014 en uit een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , ambtenaar van politie Eenheid Amsterdam, van 30 juni 2015 vervat in een emailbericht van [betrokkene 3] , Matching Autoriteit van de Justitiële Informatiedienst Leeuwarden met de volgende inhoud (bijlagen 9 en 10 bij de herzieningsaanvraag):
“Op 7 februari 2013 is te Amsterdam als verdachte aangehouden ene [aanvrager] , geb. [geboortedatum] 1982. Van betrokkene werd op 13 maart 2013 vingerafdrukken afgenomen. Deze vingerafdrukken zijn ingeboekt onder biometrienummer [0002] (in dit dossier zijn geen andere incidenten bekend). Hij blijkt zich hierbij geïdentificeerd te hebben met een geldige Franse identiteitskaart, nr. [0001] . Dit incident behoort bij parketzaak 13/701240-13.
[aanvrager] , geb. [geboortedatum] 1982 bleek bekend te zijn bij de gemeente (BRP) onder Anr. [0003] en in SKDB onder SKN [0008] met een rijke justitiële documentatie.
Uit onderzoek is inmiddels vast komen te staan dat de BRP-SKDB [aanvrager] bekend is onder biometriedossier [0009] en dus iemand anders betreft dan de [aanvrager] die op 7 februari 2013 is aangehouden. Vastgesteld is, dat degene die zich in 2003 bij de gemeente heeft laten inschrijven als [aanvrager] (en een strafblad op die naam heeft opgebouwd), [betrokkene 1] , geb. [geboortedatum] 1977 is geweest, nu bekend onder SKN [0004] , Vnr. [0005] .
Kortom. De [aanvrager] in zaak 13/701240-13 is zeer waarschijnlijk de 'echte' [aanvrager] en de [aanvrager] die in de BRP bekend staat is in werkelijkheid [betrokkene 1] geweest.”
- Na (tweede) verwijzingdoor de Hoge Raad (arrest van 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3552) is verdachte bij arrest van het hof Amsterdam van 22 november 2016 vrijgesproken van opzettelijk handelen in strijd met art. 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet in 2007. In het verzoekschrift wordt gesteld dat dit is geschied naar aanleiding van het proces-verbaal van bevindingen in bijlage 6. Ik veronderstel dat gedoeld wordt op de gegevens uit het hierboven weergegeven korte overzicht en merk op dat uit het arrest van het hof niet uitdrukkelijk blijkt dat de vrijspraak daarop is gestoeld nu deze niet nader is gemotiveerd en een proces-verbaal van de zitting van het hof zich niet bij de stukken bevindt (en vermoedelijk ook niet is opgemaakt). - De vermelding van een mondelinge mededeling van de officier van justitie belast met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 13/701240-13 (in welk kader verdachte eerder is gehoord door de RC; zie boven) dat “getracht is de justitiële documentatie van aanvrager ‘te schonen’, maar dat dit in weerwil van de toezegging in de email van de Justitiële Informatiedienst in 2015 niet mogelijk is gebleken”.
- Enkele uit het onderzoek blijkende omstandigheden (zie p. 4 en 5 van het verzoek) waaronder: dat de persoon die zich voor [aanvrager] uitgeeft in het bezit is van een Nederlands rijbewijs met nummer [0006] (bijl. 8) en zich identificeert met dat rijbewijs zijnde het rijbewijs van [betrokkene 1] (bijlage 19), dat die persoon zich in 2003 bij de gemeente heeft doen inschrijven bij de gemeente (hij verklaart meer dan eens dat hij woont bij zijn oom [betrokkene 4] op het adres [a-straat 1] ) (bijl. 9, 13 en 15), dat die persoon gebruik maakt van een Frans paspoort met nummer [0007] (bijl. 10), dat hij door de politie wordt herkend als zijnde [aanvrager] die eerder in 2005 was aangehouden en veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet en dat hij in het kader van de voorlichtingsrapportage voor de berechting in 2011 verklaart dat de veroordeling tot een geldboete van 75 euro was opgelegd in verband met het bezit van een mes.
5. Conclusie
De hierboven onder 3 vermelde stelling dat er sprake is geweest van persoonsverwisseling kan in het licht van de onder 4 vermelde argumenten worden beschouwd als een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de gewezen verdachte (art. 457, eerste lid onder c, Sv). Om elk verder misverstand te voorkomen is het aangewezen dat Uw Raad de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraken zal bevelen.
6. Deze conclusie strekt tot verwijzing van de vijf ten laste van verdachte gewezen veroordelingen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 472, tweede lid, Sv.