ECLI:NL:PHR:2018:135
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling poging doodslag ondanks beroep op noodweerexces en vermindert straf wegens termijnoverschrijding
De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor poging doodslag en meerdere andere feiten. De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen deze veroordeling.
Het eerste middel richtte zich tegen de bewezenverklaring van poging doodslag en de motivering van het voorwaardelijk opzet. De Hoge Raad oordeelde dat het hof op basis van verklaringen van het slachtoffer en een getuige terecht had vastgesteld dat de verdachte gericht op het slachtoffer had geschoten en daarmee de aanmerkelijke kans op dodelijke afloop had aanvaard. Het middel faalde.
Het tweede middel betrof het beroep op noodweerexces. Hoewel het hof zich minder gelukkig uitdrukte over de motivering, achtte de Hoge Raad het oordeel dat niet aannemelijk was dat de verdachte uit een hevige gemoedsbeweging handelde niet onbegrijpelijk. Het middel werd verworpen.
Het derde middel klaagde over de motivering van de strafoplegging. De Hoge Raad vond de strafoplegging van zes jaar, gelijk aan de eis van de procureur-generaal, voldoende gemotiveerd en passend gezien de ernst van de feiten en het ontbreken van berouw bij de verdachte.
Ten slotte constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, wat volgens vaste jurisprudentie leidt tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het vonnis dat de strafoplegging betrof en mat de straf naar eigen inzicht, terwijl het cassatieberoep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De veroordeling voor poging doodslag wordt bevestigd, maar de straf wordt gemat vanwege overschrijding van de redelijke termijn.