Conclusie
“overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet en het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden”, 2.
“overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet en het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, meermalen gepleegd” en4.
“overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegeverkeerswet 1994, in eendaadse samenloop begaan met feit 1 subsidiair en feit 2”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 en Pro 27a Sr. Daarnaast heeft het hof de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 5 tenlastegelegde een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van (in totaal) vijf jaar en zes maanden. Tot slot heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
op het moment dat hij de aanrijding veroorzaakte ontoerekeningsvatbaar was en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Nu de vraag naar de verwijtbaarheid, onderdeel is van de schuldvraag, behandelt het hof het verweer van de raadsman in het kader van de bewijsvraag.
culpa in causa(eigen schuld aan de oorzaak) niet slagen. Daarbij wordt het beoordelingsmoment naar voren geschoven; niet alleen de handeling zelf maar ook hetgeen daarvoor heeft plaatsgevonden, wordt bij de beoordeling of sprake is van
culpa in causabetrokken. [4]
culpa in causa. [5]
culpa in causageldende verwijtbaarheids-criterium. Hoewel de steller van de middelen kan worden toegegeven dat het ontstaan van een psychose als gevolg van amfetaminegebruik (mogelijkerwijze) geen algemeen bekend of vaak gezien gevolg is, doet dat aan het oordeel van het hof niet af. De omstandigheid dat de verdachte het concrete gevolg van het (bij wet verboden) amfetaminegebruik redelijkerwijs moet hebben kunnen voorzien, betreft een eis die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad niet wordt gesteld.