Conclusie
p.m.
35.865.15’.
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Selbsteintritt(de agent contracteert met zichzelf) in de zin van art. 3:68 BW Pro en art. 7:416 BW Pro, het dienen van twee heren in de zin van art. 7:417 BW Pro [10] en andere belangentegenstellingen in de zin van art. 7:418 BW Pro. Ik meen dat de strekking van deze bepalingen dezelfde is als die van de tegenstrijdig belangregeling die voor respectievelijk bestuurders en commissarissen van NV en BV geldt op grond van art. 2:129/239 lid 6 en art. 2:140/250 lid 5 BW. Deze strekking is mijns inziens gelegen in het voorkomen van ongeoorloofde belangenverstrengeling. Een verschil met de regelingen bij volmacht in Boek 3 BW en lastgeving in Boek 7 BW is dat art. 2:129/239 lid 6 BW en art. 2:140/250 lid 5 BW (anders dan de vervallen tegenstrijdig belangregeling van art. 2:146/256 BW) niet in de sleutel van vertegenwoordiging (extern werkend), maar in de sleutel van besluitvorming (intern werkend) zijn geplaatst. De vraag naar mogelijke doorwerking van art. 2:239 lid 6 BW Pro op [betrokkene 1] als procuratiehouder van Gravene kan overigens buiten beschouwing blijven. [11] De cassatieklachten zijn in de sleutel geplaatst van (onbevoegde) vertegenwoordiging.
datumwaarop de desbetreffende
saldibalansis opgemaakt. De verwerping van het hof van het verweer van antedatering in rov. 5.7 is in zoverre niet onbegrijpelijk. De verstrekkende gevolgen van het oordeel van het hof maken dat mijns inziens, anders dan het onderdeel klaagt, niet anders.
momentwaarop de rekening-courantverhouding is geëindigd en het saldo opeisbaar is geworden. Partijen verschillen van opvatting over dat moment. In de opvatting van [eiser] [24] , welke opvatting ook door hem in dit onderdeel wordt verdedigd, is de verjaringstermijn van art. 6:140 lid 4 BW Pro beginnen te lopen op het moment dat de samenwerking tussen Gravene en Scannel in 2007 is geëindigd. De vordering zou derhalve inmiddels door verloop van vijf jaren zijn verjaard. Gravene heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijn pas begon te lopen op het moment van daadwerkelijk opeisen van de vordering. [25] Dat was volgens Gravene bij schrijven van 27 februari 2011 (nr. 1.3). [26] De vijfjaarstermijn zou derhalve nog niet zijn verstreken en de vordering dus nog niet verjaard. Het hof laat in rov. 5.9 in het midden op welk moment de termijn precies is gaan lopen. Het hof overweegt dat dat op zijn vroegst op 1 januari 2010 kan zijn geweest, het moment dat de VOF werd ontbonden. De vijfjaarstermijn zou volgens het hof tijdig zijn gestuit door de inleidende dagvaarding van 24 september 2014 (art. 3:316 lid 1 BW Pro).
niet onbegrijpelijk in het licht van de staking van de onderneming sedert 2007, kennelijk niet in het jaar vóór 30 april 2009 [curs. A-G]”. In die overweging ligt ook besloten dat de rekening-courantverhouding nog niet is geëindigd in 2007. Het onderdeel faalt.