Conclusie
p.m.
35.865.15’.
Parket bij de Hoge Raad
In dit cassatie-incident vordert eiser dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden een voorwaarde wordt verbonden dat Gravene BV zekerheid stelt in de vorm van een bankgarantie. De vordering is gebaseerd op het risico dat eiser een restitutieverplichting loopt indien het arrest wordt vernietigd terwijl hij al aan het arrest heeft voldaan.
De feiten betreffen een vordering van Gravene tegen de firmanten van Scannel Media, waaronder eiser, die hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling van een bedrag van circa € 35.865,15 plus rente. Gravene heeft de vordering uitvoerbaar bij voorraad gekregen, maar eiser stelt dat Gravene niet in staat is de vordering te innen bij de medeverantwoordelijke vennoot en dat er een reëel restitutierisico bestaat.
De Hoge Raad overweegt dat de belangen van partijen moeten worden afgewogen, waarbij het belang van eiser bij zekerheidstelling zwaarder kan wegen dan het belang van Gravene bij onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging. Gelet op het ontbreken van recente jaarrekeningen, de financiële situatie van Gravene en het feit dat Gravene niet heeft onderbouwd dat zij de gevraagde zekerheid kan stellen, is het restitutierisico voldoende aannemelijk.
Daarom wordt de incidentele vordering tot zekerheidstelling toegewezen, ondanks het belang van Gravene bij tenuitvoerlegging. De Hoge Raad bevestigt dat in cassatie een voorwaarde aan de uitvoerbaarverklaring kan worden verbonden en dat dit niet automatisch leidt tot schorsing van de tenuitvoerlegging.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de incidentele vordering tot zekerheidstelling toe en verbindt een bankgarantie aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.