Conclusie
Mr. P. Vlas
Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Onderdeel 1valt in vier subonderdelen uiteen en is gericht tegen rov. 13 t/m 21 van de bestreden beschikking. Volgens
subonderdeel 1.1is het hof bij zijn oordeel dat de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening toepasselijk zijn, uitgegaan van een onjuiste opvatting van het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van art. 1 EEX Pro-Vo, althans heeft het een te beperkte uitleg gegeven aan het begrip ‘huwelijksvermogensrecht’, dat volgens art. 1 lid Pro 2, aanhef en onder a, EEX-Vo van het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening is uitgezonderd. Volgens het subonderdeel vallen de verzoeken tot afgifte van de paarden binnen de categorie ‘huwelijksvermogensrecht’ en zijn zij dus van het toepassingsgebied van de EEX-Verordening uitgezonderd.
De Cavel Iheeft het HvJEG het volgende overwogen:
De Cavel I, buiten het bereik van de EEX-Verordening. Dit betekent dat alle kwesties met betrekking tot de verdeling van het huwelijksvermogen niet onder de EEX-Verordening vallen. Daarentegen vallen betrekkingen die geen verband houden met het slaken van de huwelijksband binnen het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening. [9] Is bijvoorbeeld een vordering aanhangig gemaakt tot verdeling door openbare verkoop van een onroerende zaak, die in vrije mede-eigendom is aangekocht door echtelieden die buiten iedere gemeenschap van goederen zijn getrouwd, dan moet de bevoegdheid om van deze vordering kennis te nemen worden beoordeeld aan de hand van de EEX-Verordening. [10]
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof met zijn bevoegdheidsoordeel heeft miskend dat partijen een (exclusieve) forumkeuze voor de Nederlandse rechter zijn overeengekomen, die zich ook uitstrekt tot de verzoeken tot afgifte van de paarden. Het subonderdeel voert aan dat partijen een forumkeuze zijn overeengekomen voor alle geschillen die betrekking hebben op het tussen hen geldende huwelijksvermogensrecht, als bedoeld in art. 1 lid Pro 2, aanhef en onder a, EEX-Vo.
Subonderdeel 1.3klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuist en te beperkt begrip ‘huwelijksvermogensrecht’ in de zin van art. 1 EEX Pro-Vo.
Subonderdeel 1.4klaagt dat het hof het verzoek tot afgifte van de paarden ten onrechte niet als een nevenvoorziening als bedoeld in art. 827 lid Pro 1, onder f, Rv heeft aangemerkt, zoals de rechtbank wel heeft gedaan. Nu het hof dit in het midden heeft gelaten, moet er bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag vanuit worden gegaan dat het gaat om een nevenvoorziening die voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, die dus kwalificeert als toelaatbaar verzoek uit hoofde van het huwelijksvermogensrecht dat buiten het bereik van de ‘herschikte’ EEX-Verordening valt, aldus de klacht.
Subonderdeel 1.5bevat een op het slagen van (een van de) subonderdelen 1.1-1.4 voortbouwende klacht, die geen zelfstandige bespreking behoeft.
Onderdeel 2is gericht tegen rov. 28 t/m 30 van de bestreden beschikking, waarin het hof het verzoek tot vaststelling van een vergoedingsrecht van de man heeft afgewezen. Het onderdeel valt uiteen in vijf subonderdelen.
Subonderdeel 2.1houdt, kort gezegd, in dat het hof zou hebben miskend dat de vrouw van een deel van de betalingen [14] ter zake waarvan de man stelt recht te hebben op vergoeding, in eerste aanleg heeft erkend dat zij hebben te gelden als investeringen in de zin van art. 1:87 BW Pro. Volgens het subonderdeel heeft de vrouw deze door de rechtbank vastgestelde erkenning in hoger beroep ontoereikend bestreden en is de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van het vergoedingsrecht met betrekking tot deze bedragen onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 2.2klaagt dat het hof heeft miskend dat de in subonderdeel 2.1 bedoelde erkenning moest worden aangemerkt als een gerechtelijke erkentenis in de zin van art. 154 Rv Pro, die slechts kan worden herroepen als zij in dwaling of niet in vrijheid is afgelegd (art. 154 lid 2 Rv Pro). Ook klaagt het subonderdeel dat voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat de gerechtelijke erkentenis is ingetrokken, het hof daarbij onjuiste, want te ruime criteria zou hebben toegepast. Verder klaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd.
Subonderdeel 2.3klaagt dat de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een vergoedingsrecht onbegrijpelijk is in het licht van de erkenning door de vrouw in hoger beroep dat de man in ieder geval recht heeft op vergoeding van een bedrag van € 334.325,-. [18]
subsidiairestelling, waarin geen erkenning kan worden gelezen dat genoemd bedrag verschuldigd is. De vrouw heeft primair immers juist ondubbelzinnig betoogd dat de man volgens haar geen enkel vergoedingsrecht toekomt. [19] Het subonderdeel stuit hierop af.
Subonderdeel 2.4klaagt over het oordeel van het hof dat het op de weg van de man lag om zijn vordering op de vrouw inzichtelijk en controleerbaar te onderbouwen, zodat op hem de bewijslast rust ter zake van het gestelde recht op vergoeding. Volgens het subonderdeel is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Het hof heeft miskend dat de stelling van de vrouw dat de door de man gedane investeringen niet uit zijn eigen vermogen maar uit dat van de vrouw afkomstig waren, als een bevrijdend verweer moet worden gekwalificeerd waarvan de bewijslast op de vrouw rust. Het subonderdeel richt tegen het oordeel van het hof ook een motiveringsklacht.