Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
kenbaarheidvan de schade en niet iets over een voor verjaring vereiste daadwerkelijke, subjectieve,
bekendheidmet de schade bij VvE Parkeergarage, terwijl bovendien niet 2011 maar de datum van 21 mei 2010 bepalend is. Dit laatste behoren we niet als een zelfstandig argument op te vatten. Zou de
kenbaarheidbeslissend zijn, dan geldt dat als in 2011 een aanzienlijke scheefstand was te zien, de schade in verband met het zeer langzame verloop waarvan het hof uit is gegaan (in rechtsoverweging 3.5.3 veronderstelt het hof dat reeds direct na de aanleg van de parkeergarage van VvE [A] in 1974 de eerste schade is ontstaan), ook vóór 21 mei 2010 kenbaar moet zijn geweest. [2] Dragend voor hetgeen het hof heeft beslist, is echter dat volgens het hof op basis van de foto’s de sprong van
kenbaarheid(in 2011 of vóór 21 mei 2010) naar
daadwerkelijke bekendheidniet kan worden gemaakt. Dat oordeel is bij uitstek voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet en het behoefde ook geen nadere motivering.
verwezenlijkingvan het gevaar voor personen of zaken als gevolg van (kort gezegd) het gebrek.
medeis veroorzaakt door de aanwezigheid van de oprit en het gebruik daarvan en dat dit – in ieder geval op zichzelf genomen – geen omstandigheden zijn waarvoor VvE [A] aansprakelijk is. Dat is immers niets bijzonders. De bezitter van een opstal is ook niet aansprakelijk voor het opsteken van een storm, maar in het algemeen wel voor de (gedeeltelijke) instorting van de opstal als gevolg van die storm op een voorbijganger of voor het neerregenen van tot de opstal behorende dakpannen op een geparkeerde auto.