Conclusie
middelklaagt over schending van de artikelen 359, vijfde lid, Sv en 415 Sv, aangezien het hof de strafoplegging onbegrijpelijk, althans ontoereikend heeft gemotiveerd.
Op te leggen straf
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat de strafoplegging centraal na een veroordeling wegens twee diefstallen. De politierechter legde een gevangenisstraf van tien weken op, waarvan vier weken voorwaardelijk, met twee jaar proeftijd. Het hof verhoogde deze straf tot vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onder meer rekening hield met de professionele aard van de misdaad en recidive van de verdachte.
De verdediging voerde aan dat sprake was van first offender en dat de straf te hoog was, terwijl het hof juist wees op eerdere onherroepelijke veroordelingen voor soortgelijke feiten, ook al waren deze veroordelingen uitgesproken na de gepleegde feiten. De Hoge Raad bevestigt dat het hof deze eerdere veroordelingen mocht betrekken bij de strafmotivering en dat het begrip recidive hier in de gewone taalkundige betekenis werd gebruikt, namelijk dat soortgelijke feiten zich herhaaldelijk hebben voorgedaan.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de strafoplegging voldoende heeft gemotiveerd en dat het geen onbegrijpelijke of ontoereikende motivering betreft. De klacht dat het hof onjuist met recidive is omgegaan faalt, mede omdat het hof niet heeft gesteld dat de verdachte zich niet door eerdere veroordelingen heeft laten weerhouden. De strafoplegging blijft daarmee in stand en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden blijft in stand.