ECLI:NL:PHR:2018:1481

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 december 2018
Publicatiedatum
5 februari 2019
Zaaknummer
17/05369
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onterechte niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat het hof oordeelde dat geen schriftuur houdende grieven tijdig was ingediend.

Namens verdachte werd cassatie ingesteld met het middel dat wel degelijk tijdig een schriftuur houdende grieven was ingediend, ondersteund door een brief van de raadsman en een appelschriftuur met ontvangststempel van de griffie en faxverzending.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat geen bezwaren zijn opgegeven, gelet op het ernstige vermoeden van tijdige indiening van de schriftuur.

Daarom wordt het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.

Andere aangevoerde gronden behoeven geen bespreking en ambtshalve zijn geen andere vernietigingsgronden gevonden.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 17/05369
Zitting: 11 december 2018
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 15 maart 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep, nu de verdachte geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft opgegeven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de verdachte in zijn hoger beroep. In de toelichting op het middel wordt de stelling betrokken dat namens de verdachte, anders dan het hof heeft overwogen, wel degelijk tijdig een schriftuur houdende grieven is ingediend.
De raadsman heeft bij brief van 1 april 2016 namens de verdachte de griffier gemachtigd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 22 maart 2016. Diezelfde dag heeft de griffier dit beroep ingesteld en is de akte instellen rechtsmiddel opgemaakt.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich tevens een op 14 april 2014 ondertekende en ingediende appelschriftuur. De schriftuur bevat een ontvangststempel van de griffie rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 14 april 2016. Tevens blijkt hieruit dat de appelschriftuur op 14 april 2016 om 12.01 uur door Van Oosten Advocaten naar de griffier van de rechtbank per fax is verzonden.
De inhoud van deze stukken biedt grond voor het ernstige vermoeden dat namens de verdachte tijdig, te weten binnen 14 dagen na het instellen van het beroep, een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv Pro is ingediend. Het oordeel van het hof dat geen schriftelijke (of mondelinge) bezwaren zijn opgegeven is daardoor onbegrijpelijk.
Het middel slaagt.
Het voorgaande leidt ertoe dat de andere gronden die het middel aanvoert geen bespreking behoeven.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG