Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de helft van€ 183.991,- opgenomen. Ten aanzien van deze verrekening is daarbij immers uitgegaan van een te verrekenen waarde van € 183.991,- (in plaats van het eerdergenoemde bedrag van € 367.981) (rov. 2.5.4). Ten aanzien van de internetspaarrekening van de man bij de Rabobank eindigend op de cijfers …9657 is de rechtbank daarbij – bij gebreke van het relevante afschrift waaruit het saldo op 1 oktober 2010 blijkt – uitgegaan van het gemiddelde van het saldo op deze spaarrekening op 1 januari 2010 (het door de vrouw gestelde saldo van € 225.000,-) en 31 december 2010 (het door de man gestelde saldo van € 13.842,-), hetgeen neerkomt op een te verrekenen saldo van € 119.421,- (rov. 2.3.5).
grief 2richt hij zich onder meer tegen het door de rechtbank als te verrekenen vermogen in aanmerking genomen saldo van de hierboven onder 1.6 genoemde internetspaarrekening van € 119.421,-. Volgens de man behoorde het daarop overgemaakte bedrag van € 225.000,- niet tot het te verrekenen vermogen, nu dit toebehoorde aan de onderneming van de man en slechts tijdelijk – per abuis – op de internetspaarrekening was gestort. Hier moet volgens hem slechts een saldo van € 13.842,- in aanmerking worden genomen.
grief 3keert hij zich tegen de door de rechtbank vastgestelde verrekening met betrekking tot zijn onderneming. Hij betwist de waardebepaling (van de aandelen) daarvan per peildatum op € 183.991,- en meent dat de rekening-courantvordering die hij op zijn onderneming heeft niet bij de waardebepaling en/of in de verrekening dient te worden meegenomen. Volgens hem is de waarde van de aandelen op de peildatum nihil, heeft de onderneming op dat moment een negatief eigen vermogen en is er dus geen sprake van een waarde of een positief verrekenbedrag dat in de verrekening dient te worden betrokken.
nietzou volgen, dit onverlet laat dat de rekening-courantvordering van de man op zijn onderneming – óók het saldo (van € 225.000,-) van eerdergenoemde internetspaarrekening dat na terugboeking naar de onderneming van de man heeft geleid tot een stijging van die rekening-courantvordering – (in ieder geval) tot het te verrekenen vermogen moet worden gerekend. [2]
grief 3(rov. 5.15) en de daarop betrekking hebbende voorwaardelijke grief van de vrouw (rov. 5.16) vernietigd en de man veroordeeld tot betaling van € 379.690,59 aan de vrouw. In dit bedrag is ten aanzien van de verrekening van de rekening-courantvordering van de man op zijn onderneming een bedrag van € 240.853,-, de helft van het uit dien hoofde als te verrekenen vermogen aangemerkte bedrag van € 481.706,- in aanmerking genomen. Het hof heeft daarbij het latere, hogere saldo van de rekening-courantvordering buiten beschouwing gelaten, nu die verhoging (grotendeels) haar verklaring vond in de (terug-)boeking vanaf eerdergenoemde internetspaarrekening van het eerder ten laste van de rekening-courantvordering naar die internetspaarrekening overgemaakte bedrag (rov. 5.16-5.17, zie ook rov. 5.11 en 5.34-5.36). De aandelen in de onderneming van de man zijn tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man gerekend voor een waarde van nihil (rov. 5.15 en 5.17). Bij de vaststelling van de verrekenenvordering heeft het hof verder geoordeeld dat genoemde internetspaarrekening (als te verrekenen vermogen) meetelt voor een bedrag van € 225.000,- aan de zijde van de man (in plaats van € 119.421,-), en
grief 2van de man derhalve faalt, maar de voorwaardelijke grief van de vrouw in dit kader ook slaagt. Dit bedrag wordt vermoed te zijn gevormd uit te verrekenen inkomsten. Voorts vloeit uit het feit dat de rekening-courantvordering en de aandelen van de man in de B.V. tot het aan de zijde van de man te verrekenen vermogen behoren voort dat ook het saldo van € 225.000,- daartoe behoort, althans het wettelijk vermoeden dat het daartoe behoort niet is ontzenuwd (rov. 5.11).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
grief 3van de man, die als volgt luidt:
grief 3 (waarde aandelen man in [A] B.V./vordering in rekening courant)
De vordering in rekening courant wordt vermoed te zijn gevormd uit te verrekenen inkomsten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die dat wettelijk vermoeden ontzenuwen. Uit de stukken die zijn overgelegd en hetgeen in 5.13 is overwogen volgt dat de rekening courant is ontstaan ten gevolge van de uitoefening door de man van zijn eenmanszaak, de inbreng daarvan in de B.V., de vermindering van het bedrag van de aandelen en de teruggave daarop.[AG: cursivering toegevoegd] Grief 3 van de man faalt in zoverre. De voorwaardelijke grief van de vrouw (verweerschrift in het principaal hoger beroep randnummer 102 in combinatie met randnummer 47) slaagt in zoverre.
niet relevant, hetzij
niet voldoendeis ter ontzenuwing van het vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro, het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ter zake art. 1:141 lid 3 in Pro combinatie met lid 1 BW. De man voert aan dat hij in feitelijke instantie door de vrouw niet weersproken stellingen heeft ingenomen waarmee bedoeld vermoeden wel degelijk (voldoende) wordt ontzenuwd, en wijst daarvoor op door hem ingenomen stellingen over de feiten die het hof ook in rov. 5.13 grotendeels als vaststaand heeft aangenomen Deze houden in dat de rekening-courantvordering is ontstaan ten gevolge van de uitoefening door de man van zijn eenmanszaak, de inbreng daarvan in de B.V. en de vermindering van het bedrag van de aandelen en de teruggave daarop. Uit die stellingen volgt volgens de man dat de werkelijke herkomst van de rekening-courantvordering niets van doen heeft met overgespaarde inkomsten in de zin van art. 1:141 lid 3 jo Pro. lid 1 BW, maar alles met de zakelijke keuze die de man ten behoeve van zijn onderneming heeft gemaakt en de zakelijke afspraken die hij bij de geruisloze overgang naar de B.V. heeft gemaakt met de belastingdienst (“
puur[is]
ontstaan door goed zakendoen met de belastingdienst”). Hierdoor ontstond een hoog aandelenkapitaal – omdat met (een hoge) goodwill rekening mocht worden gehouden – dat na drie jaar afgestempeld kon worden tot het minimaal vereiste kapitaal van (destijds) ƒ 40.000,-, hetgeen resulteerde in een rekening-courantvordering van de man op zijn B.V..
Haar aandeel in deze[commanditaire]
vennootschap behoort tot het te verrekenen vermogen aan haar zijde.”).
in ieder geval, gelet op de standpunten van partijen en het vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro, althans in beginsel, geheel als te verrekenen vermogen worden aangemerkt. [8] De stellingen van de man waarnaar de onderdelen verwijzen, bevestigen slechts de herkomst van de rekening-courantvordering uit (de inbreng van) de eenmanszaak, een herkomst die nu juist, althans in beginsel, tot de conclusie leidt dat die vordering dient te worden verrekend (en die dus, anders dan onderdeel I.1 meent, – in beginsel – juist alles te maken heeft met overgespaarde inkomsten). De onderdelen verliezen hierbij uit het oog dat óók de in aanmerking genomen goodwill [9] en het mede daaruit voortvloeiende hoge aandelenkapitaal van de B.V., dat na afstempeling tot het ontstaan van de rekening-courantvordering heeft geleid, hun herkomst vinden in (de waarde van) de ingebrachte eenmanszaak (bv. in de nog te verrekenen ondernemingswinsten daarin behaald, de arbeidsinspanningen daarin verricht door de man en de vruchten daarvan). De in de onderdeel I.1 genoemde ‘zakelijke keuze van de man’ en zijn ‘zakelijke afspraken met de belastingdienst’ kunnen op zichzelf niet worden beschouwd als een bron van inkomensverwerving of vermogensvergaring van de man. Zoals de man het zelf ook verwoordt ten aanzien van de rekening-courantvordering:
“(…) deze vordering[is]
tot stand (…) gekomen zonder dat er enig geld gestort hoefde te worden,het betrof puur de waardebepaling(in overleg met de belastingdienst)van de ondernemingop 1 januari 1998” [10] (AG: onderstreping toegevoegd). Het gaat met andere woorden dus slechts om een uitvloeisel van de door de man gerealiseerde waarde van zijn eenmanszaak, die op grond van de huwelijkse voorwaarden en/of het vermoeden art. 1:141 lid 3 BW Pro voor verrekening in aanmerking komt.
winstenimmers nog altijd – op grond van de huwelijkse voorwaarden – tot het te verrekenen vermogen. Of het te verrekenen vermogen in dit kader – waaronder de niet (of juist wel, namelijk in de rekening-courantvordering) uitgekeerde, maar in ieder geval niet verrekende ondernemingswinsten – dan (nog) zonder meer op de waarde van de aandelen in de B.V. en/of de in de rekening-courantvordering tot uitdrukking komende waarde van de eenmanszaak kan worden gesteld, is een tweede. Wat betreft de waarde van de aandelen in de B.V. geldt echter dat de man en de vrouw het daarover eens waren: die moet worden verrekend (zie het citaat van de eerste volzin van rov. 5.14 hierboven onder 2.3). Ze waren het zelfs onder omstandigheden – die zich volgens het hof voordeden – eens over de waarde van die aandelen (zie de laatste volzin van rov. 5.15: “
Daarbij komt dat partijen het erover eens zijn dat de waarde van de aandelen nihil is in het geval de vordering in rekening courant tot het te verrekenen vermogen behoort (zoals hierna wordt geoordeeld).”) Deze beide overwegingen worden in cassatie niet bestreden.
grief 8van de man, aan de orde is gekomen. Die overweging luidt als volgt:
grief 8 (vordering vrouw op man van € 29.496,-)
De vordering in rekening courant wordt vermoed te zijn gevormd uit te verrekenen inkomsten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die dat wettelijk vermoeden ontzenuwen.
grief 3van de man in zoverre faalt) en rov. 5.17 (de conclusie wat betreft de verrekening van de aandelen van de man in zijn onderneming en de rekening-courantvordering) niet in stand kunnen blijven.
onderdeel I.5bevat een klacht die voortbouwt op gegrondbevinding van de onderdelen I.1 en I.2. Deze klacht ziet op rov. 5.21 en heeft betrekking op de verrekening van de waarde van een polis van de man. Het hof overweegt hier dat de premiebetalingen voor deze polis zijn gedaan door de B.V. en geboekt in rekening-courant (daarop in mindering gebracht). Vervolgens concludeert het hof dat, gelet op het ontstaan van de rekening-courant en de omstandigheid dat de vordering in rekening courant is gevormd dan wel wordt vermoed te zijn gevormd uit te verrekenen inkomsten/vermogen, daarmee ook de premiebetalingen zijn gedaan ten laste van te verrekenen vermogen. De polis behoort volgens het hof dan ook tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man, en het wettelijk vermoeden is ook hier niet ontzenuwd.
onderdeel I.6nog een laatste voortbouwende klacht. Deze houdt in dat het slagen van één of meer van de voorgaande klachten ook de voortbouwende rekensom van het hof in rov. 5.34-5.38, waaruit volgt dat de man na verrekening aan de vrouw een bedrag van € 379.690,59 dient te voldoen, de slotsom in rov. 5.39 en het dictum raakt.