ECLI:NL:PHR:2018:1503

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
15 februari 2019
Zaaknummer
18/05121
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c RvArt. 407 lid 3 RvArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens niet-electronische procesinleiding en ontbreken advocaat

In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag in hoger beroep de eerdere vonnissen van de rechtbank Rotterdam vernietigd en eiser tot betaling veroordeeld. Eiser heeft vervolgens een beroepschrift tot cassatie ingediend bij de Hoge Raad, maar deze procesinleiding was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en niet elektronisch ingediend zoals voorgeschreven.

De griffier van de Hoge Raad heeft eiser gewezen op deze vormverzuimen en een termijn van twee weken gegeven om deze te herstellen. Eiser heeft dit niet binnen de gestelde termijn gedaan en ook een verzoek tot verlenging van deze termijn is afgewezen.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 30c lid 1 Rv (elektronische indiening) en artikel 407 lid 3 Rv Pro (aanwijzing advocaat bij de Hoge Raad). Hierdoor wordt het beroep afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-elektronische indiening en ontbreken van advocaat bij de Hoge Raad.

Conclusie

Zaaknr: 18/05121 Mr. F.F. Langemeijer
Zitting: 21 december 2018 Conclusie (art. 80a RO) inzake:
[eiser]
tegen
Vereniging van Eigenaars Maximiliaanstraat 12B, 12 AI en 12AII
te Rotterdam

1.Procesverloop

1.1
Bij arrest van 14 augustus 2018 (nr. 200.209.845) heeft het gerechtshof Den Haag in hoger beroep de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2016 en 11 november 2016 vernietigd. Het gerechtshof heeft – opnieuw recht doende, voor zover hier van belang – eiser tot cassatie, hoofdelijk, veroordeeld tot betaling aan de Vereniging van Eigenaren van € 1.300,75, vermeerderd met wettelijke rente, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
1.2
Op 14 november 2018 heeft eiser een beroepschrift, houdende verzoek tot cassatie van genoemd arrest, ingediend ter griffie van de Hoge Raad. Deze procesinleiding was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Bij brief van 16 november 2018 heeft de griffier van de Hoge Raad eiser erop gewezen dat het verzoek niet is ingediend op de wijze zoals voorgeschreven in art. 407 Rv Pro, te weten door indiening van een procesinleiding via het webportaal van de Hoge Raad door een advocaat bij de Hoge Raad. Aan eiser is een termijn van twee weken verleend om dit vormverzuim te doen herstellen.
1.3
Eiser heeft dit verzuim niet binnen deze termijn hersteld. Bij brief van 29 november 2018, ingekomen per fax op 30 november 2018, heeft hij de Hoge Raad verzocht de termijn voor herstel van dit vormverzuim met zes weken te verlengen. Het verzoek om uitstel is niet ingewilligd, hetgeen blijkt uit een brief van de griffier aan eiser van 3 december 2018.

2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Het cassatieberoep is niet ingesteld op de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze, te weten door indiening van een procesinleiding langs elektronische weg. Ook voldoet de procesinleiding niet aan de eisen van art. 407 lid 3 Rv Pro, nu daarin niet een advocaat bij de Hoge Raad is aangewezen die de eisende partij in het geding in cassatie zal vertegenwoordigen. Deze verzuimen konden worden hersteld door dezelfde procesinleiding met inachtneming van de vereisten van de art. 30c en 407 lid 3 Rv opnieuw in te dienen. Eiser heeft evenwel geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze verzuimen binnen twee weken te herstellen. Dit brengt mee dat hij in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard [1] .

3.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv

Voetnoten

1.Zie onder meer: HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1786.