Conclusie
hosting safe harboruit de e-Commercerichtlijn (bij ons geïmplementeerd in art. 6:196c BW), zinvol kan worden bekeken of nog kan worden toegekomen aan het merendeel van de principale cassatieklachten over de specifieke deelvereisten van art. 6:169c BW (onderdeel 1), of dat artikel een verklaring voor recht (onderdeel 2) of een stakingsbevel (onderdeel 3) uitsluit, of het profiteren van exoneratie uit de
hosting safe harboronmogelijk maakt dat NSE niettemin een onrechtmatige daad begaat jegens de rechthebbenden voor wie Brein opkomt (onderdeel 4) en of Brein belang heeft bij verdergaande maatregelen (onderdeel 5). Het lijkt er sterk op dat die exoneratieregeling beperkt is tot schadevergoedingsvorderingen (zo mijn vorige conclusie in 2.45 na uitgebreid jurisprudentie-onderzoek en rechtsvergelijking in 2.25-2.36, met een voorstel voor prejudiciële vragen in 2.46 (verderop in deze nadere conclusie geciteerd in 1.59 voor de zelfstandige leesbaarheid van deze aanvullende conclusie) voor het geval hier ruimte wordt gezien voor gerede twijfel). In onze zaak ligt evenwel geen schadevergoedingsvordering (meer) voor, wel verklaringen voor recht en een stakingsbevel. Ik gaf in de vorige conclusie in 2.42 ook aan dat we zonder deze duidelijkheid overigens meteen in de problemen komen bij bepaalde vervolgvragen uit de principale onderdelen 2-5, omdat die niet goed te beantwoorden zijn zonder duidelijkheid over de kwestie of en zo ja onder welke omstandigheden een tussenpersoon als NSE meedeelt aan het publiek in de zin van art 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn Pro – juist omdat die vervolgvragen roeren aan de verhouding tussen de
hosting safe harboruit de e-Commercerichtlijn en het Unie-auteursrechtelijke mededelen aan het publiek.
1.Bespreking van het principaal cassatieberoep
doorgiftevan informatie een beroep toekomt op de vrijstelling van art. 6:196c lid 1 BW (“mere conduit”) en voor de
opslagvan informatie op de vrijstelling van art. 6:196c lid 4 BW (“host-diensten”).
automaticallyinitiates a transmission at the request of a recipient of his service does not mean that the service provider initiated the transmission in this sense.” [Onderstreping A-G]
automatischwordt doorgegeven. Of NSE de informatie alleen doorgeeft aan de afnemers van haar dienst, is daarbij niet relevant. Door de automatische doorgifte ligt het initiatief tot doorgifte in de hier bedoelde zin niet bij NSE, maar bij de gebruiker. Zonder gebruiker wordt er ook niks doorgegeven, waardoor ook niet gezegd kan worden dat het initiatief tot doorgifte bij NSE ligt [4] . De klacht ketst daar volgens mij op af.
explanatory memorandum [5] :
loutertechnisch, automatisch en passief karakter, waarbij de dienstverlener geen kennis en geen controle heeft over de informatie die wordt doorgegeven. In het geval van NSE wordt zo’n actieve selectie echter niet gemaakt. NSE geeft de informatie
automatisch en passiefdoor aan (in ieder geval) iedere andere Usenetprovider met wie zij een afspraak tot uitwisseling heeft. Het is dus niet zo dat NSE actief bepaalt welke andere Usenetprovider met wie zij een afspraak tot uitwisseling heeft de betreffende informatie wel of niet krijgt. Hierop lijken mij deze klachten af te stuiten.
neutrale rolspelen door het verrichten van
louter technische, automatische en passieve handelingen. Een dienstverlener die selecteert welke informatie wel of niet wordt doorgegeven, is niet neutraal en handelt ook niet passief. Maar een dienstverlener die volgens een
geautomatiseerd processpamberichten niet (zonder meer) doorgeeft, kan nog steeds een neutrale rol hebben. Datzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor een “kindvriendelijk” filter bij een ISP die bepaalde voor jonge kinderen ongeschikt geachte websites niet doorgeeft [7] .
subonderdeel 1.1.5klaagt Brein over het oordeel dat het doorgeven van berichten aan andere Usenetproviders een louter technisch, automatisch en passief karakter heeft en dat NSE geen kennis heeft van en ook geen controle heeft over de doorgegeven gegevens. Dat ventileert volgens de klacht een onjuiste rechtsopvatting over art. 6:196c lid 1 BW, of is onbegrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft namelijk miskend dat NSE controle uitoefent over (of invloed heeft op) de doorgegeven informatie, nu zij (i) de berichten filtert op spam, (ii) bepaalt met welke andere Usenetproviders zij berichten wenst uit te wisselen (en met welke niet) en (iii) aldus haar systeem heeft ingericht op het tot stand brengen van een omvangrijke database met beschermde werken (akte comparitie 19 april 2010, 3-17; CvR 57-58; MvA, 23-24, 30, 33-36, 40-53, 55-60, 185-186, 274; pleitaant. 18 maart 2014, 30, 66). De handelingen van NSE zijn dan misschien wel technisch en automatisch, maar niet passief.
haar systeemheeft ingericht op het tot stand brengen van een omvangrijke database met beschermde werken. Dat miskent in mijn optiek dat het er voor een geslaagd beroep op de vrijstelling van art. 6:196c lid 1 BW om gaat of
het doorgeven van de informatietechnisch, automatisch en passief is en niet of (het systeem van) NSE dit is. Ik heb dit in mijn eerste conclusie aangestipt in 2.22 bij de schets van het juridisch kader voor deze zaak, waar ik kortheidshalve naar terugverwijs. Ook deze klacht lijkt mij dan ook niet opgaan.
ten behoeve vande derde op wiens verzoek de opslag plaatsvindt. Dit veronderstelt dat deze derde (althans enige mate van) zeggenschap heeft over de op zijn verzoek opgeslagen informatie en deze informatie (bijvoorbeeld) ook kan (doen) verwijderen. Brein heeft gesteld dat dit in deze zaak niet aan de orde is, zodat Breins betwisting volgens deze klacht wel als voldoende moet worden aangemerkt.
subonderdeel 1.2.4een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 3.4.6 dat zij onvoldoende heeft aangevoerd om te concluderen dat NSE een actieve rol heeft met betrekking tot de berichten, in die zin dat zij kennis heeft van of controle heeft over de door haar opgeslagen gegevens. Volgens de klacht moet voor de toepassing van art. 6:196c lid 4 BW worden onderzocht of
de rol van de dienstverlener (NSE) in die zin neutraalis dat zijn handelingen louter technisch, automatisch en passief zijn, wat impliceert dat hij geen kennis heeft van of controle heeft over de gegevens die hij opslaat.
subonderdeel 1.2.6tegen het oordeel in rov. 3.4.6 over het onvoldoende door Brein hebben aangetoond van NSE’s actieve rol met betrekking tot de berichten in die zin dat zij kennis heeft van de opgeslagen gegevens, is dat daarmee niet kenbaar is gerespondeerd op Breins stellingen dat NSE wist of behoorde te weten van de onrechtmatige informatie op haar servers (onder verwijzing naar de klachten onder subonderdelen 1.3.3 en 1.3.4-1.3.5).
behoortte weten van de activiteit of informatie met een onrechtmatig karakter; de vordering tot vergoeding van schade is immers niet meer aan de orde.”
explanatory memorandumvan de Commissie is over dit deel van art. 14 van Pro de richtlijn het volgende te lezen [9] :
alle civiele aansprakelijkheidte laten gelden. Het lijkt duidelijk dat de Commissie hier eerst de hoofdregel schetst: een tussenpersoon komt geen beroep toe op de vrijwaring van aansprakelijkheid als sprake is van daadwerkelijke wetenschap, zowel bij strafrechtelijke als civielrechtelijke aansprakelijkheid. In de daaropvolgende alinea noemt de Commissie dan direct een uitzondering op deze hoofdregel, namelijk met betrekking tot acties strekkende tot schadevergoeding, in welk geval het gaat om “behoren te weten”. Aldus ook het HvJEU in
L’Oreal/Ebay(punt 120, curs. toegevoegd) [10] :
As the case in the main proceedings may result in an order to pay damages, it is for the referring court to consider whether eBay has, (…), been ‘aware of facts or circumstances from which the illegal activity or information is apparent’. In the last-mentioned respect, it is sufficient, in order for the provider of an information society service to be denied entitlement to the exemption from liability provided for in Article 14 of Directive 2000/31, for it to have been aware of facts or circumstances on the basis of which a diligent economic operator should have identified the illegality in question and acted in accordance with Article 14(1)(b) of Directive 2000/31.”
onverlet dat een zekere onderzoeksplicht wel kan bestaan in bijzondere gevallen,
waarin de tussenpersoon die van derden afkomstige informatie opslaat, gegronde reden heeft te twijfelen aan de wettigheid daarvan in verband met de gerechtvaardigde belangen van derden. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer de tussenpersoon door een derde, niet zelden de (potentieel) gelaedeerde, op het onwettige karakter van de bij hem opgeslagen informatie wordt gewezen waarbij in redelijkheid niet aan de juistheid van de kennisgeving kan worden getwijfeld. Ik acht het bestaan van een zekere zorgplicht bij de tussenpersoon
ookniet uitgesloten,
wanneer bij hem informatie wordt opgeslagen in nieuws- en discussiegroepen onder namen die ten aanzien van het onwettige karakter daarvan weinig aan de verbeelding overlaten.”[Cursivering A-G]
in dit verbandniet heeft aangevoerd dat NSE wetenschap heeft van specifieke artikelen met een onrechtmatig karakter of specifieke nieuwsgroepen die alleen inbreukmakend materiaal bevatten – met “dit verband” kennelijk bedoelend:
in het kader van art. 6:196c lid 4 sub a BW [19] . Zo opgevat is geen sprake van onbegrijpelijkheid. De door Brein aangehaalde stellingen zijn namelijk hoofdzakelijk ingenomen in het kader van de algemene stelling dat berichten op Usenet overwegend illegale content bevatten (inl. dagv 33, CvR 51-53, MvA 64-65) danwel bij de vraag of NSE rechtstreeks contact heeft met eindgebruikers (inl. dagv 68). De stellingen ingenomen in de akte van 11 november 2014 zien op de invulling van het door het hof aan NSE op te leggen bevel tot het invoeren van een effectieve NTD-procedure (en dateren bovendien van ná de hier bestreden overweging in dit tussenarrest). De akte van 19 april 2010 is door de rechtbank geweigerd (zie proces-verbaal 19 april 2010, p. 2), zodat het hof op die stellingen niet in hoefde te gaan.
aan de hand van de stellingen van partijenheeft plaatsgevonden. In rov. 3.7.1-3.7.2 heeft het hof vervolgens beoordeeld of aan NSE – in algemene zin – een bevel tot het invoeren van een effectieve NTD-procedure kon worden opgelegd. De overwegingen van het hof hebben dus betrekking op weliswaar samenhangende, maar toch verschillende vragen [20] . Dat betekent dat van innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake is. Subonderdeel 1.4.5 gaat daarom niet op.
UPC Telekabel Wien.
notice and take down(NTD) procedure, maar van een
notice, take down and stay down(NTDSD) procedure, maar zover gaat die verplichting voor een tussenpersoon niet. Ik wijs op de Mededeling van de Commissie getiteld: De bestrijding van illegale online-inhoud: naar een grotere verantwoordelijkheid voor onlineplatforms [21] , waar ik het volgende uitlicht:
reikwijdte van de vrijstellingsregeling van art. 6:196c BW is beperkt tot schadevergoedingsvorderingen. Ik wees daar al op in de inleiding van deze tweede conclusie. Daar heb ik in dit stadium alleen nog de bevestiging van die opvatting aan toe te voegen uit het proefschrift dat deze week is verdedigd door Kulk [23] . Voor het geval hier niettemin ruimte zou worden gezien voor gerede twijfel, is in mijn vorige conclusie in 2.46 een voorstel gedaan voor het stellen van prejudiciële vragen hierover. Daar heb ik in dit stadium (ook na lezing van de Borgersbrieven) op zich niets aan toe te voegen en ik geef die vragen hier nog even weer:
ontkennendwordt beantwoord, dat het dan raadzaam lijkt om – mede gezien de in mijn vorige conclusie in 2.14-2.18 geschetste weerbarstige ontwikkeling van het DSM-richtlijnvoorstel – de volgende vragen te stellen over de verhouding tussen de vrijstellingsregeling in de e-Commercerichtlijn en art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn Pro:
zo begrepen klachtslaagt; bij gerede twijfel daarover, moet prejudicieel worden verwezen.
McFadden,zo hebben we in mijn vorige conclusie gezien). Als ik het goed zie moet de rechtsklacht dan zo worden begrepen dat het hof zou hebben miskend dat er desalniettemin, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, grond bestond om NSE op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk te houden. Het hof heeft dit echter niet miskend, maar heeft in rov. 3.8.3 juist onderzocht of er omstandigheden zijn die maken dat NSE – ondanks de omstandigheid dat haar in beginsel een beroep toekomt op art. 6:196c BW – in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid en geoordeeld dat dit niet het geval is. Ook dan zou de klacht niet opgaan. Onbegrijpelijk is het aangevallen oordeel dan volgens mij evenmin.
subonderdeel 2.4wordt geklaagd over rov. 3.5.3 en 3.5.5 TA1. Hier is volgens de klacht miskend dat de vraag of sprake is van inbreuk wordt bepaald door de Auteurswet, niet door art. 6:196c BW. Als een dienstverlener zonder toestemming openbaar maakt of verveelvoudigt, zoals het hof in rov. 3.3.2-3.3.4 en 3.3.6 TA1 heeft geoordeeld, maakt hij inbreuk. De plaatsing van art. 6:196c BW in de titel onrechtmatige daad doet hier niet aan af en ook een beroep op art. 6:196c BW staat derhalve niet in de weg aan toewijzing van de door Brein gevorderde verklaringen voor recht en stakingsbevel.
aansprakelijk isals zelf onrechtmatig handelend in de vorm van inbreukpleger door het louter faciliteren van inbreuken door derden (vgl. de slotzin van rov. 3.5.3). Daarmee heeft het hof niet miskend dat de vraag òf sprake is van inbreuk wordt bepaald door de Auteurswet. Die vraag beoordeelt het hof immers niet in de hier bestreden overwegingen. De hierop gerichte klacht mist dan ook feitelijke grondslag. Voor het overige geldt dat in deze sleutel (waarbij een geslaagd beroep op art. 6:196c BW alle civielrechtelijke aansprakelijkheid uitsluit) de omstandigheid dat, naar het hof onbestreden heeft geoordeeld,
aansprakelijkis als inbreukmaker in de hiervoor bedoelde zin als “facilitator” (rov. 3.5.5, tweede volzin), het hof terecht heeft overwogen dat art. 6:196c BW in de weg staat aan toewijzing van de declaratoren. Waar nog geklaagd wordt dat art. 6:196c BW niet in de weg staat aan toewijzing van het stakingsbevel, kan dat alleen al niet tot cassatie leiden omdat het hof in de hier bestreden overwegingen geen oordeel velt over het stakingsbevel (dat volgt in rov. 3.6.1 e.v.).
UPC Telekabel Wienen
McFadden).
UPC Telekabel Wien(akte 11 november 2014, 46-79).
subonderdeel 4.7geformuleerde motiveringsklacht voor het geval de rechtsklacht van subonderdeel 4.6 niet slaagt.
l’Oréal/eBayis overwogen, namelijk dat er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen een stakingsbevel (inbreukverbod) aan de inbreukmaker en een rechterlijk bevel gericht tegen een tussenpersoon. De hoedanigheid van tussenpersoon maakt de situatie complexer en leent zich voor andere soorten bevelen [26] . Het oordeel van het hof dat Brein geen concrete feiten heeft gesteld die aanleiding kunnen geven tot een verdergaand bevel dan reeds kan worden gegeven op de grond dat NSE tussenpersoon is, lijkt mij dan ook onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
UPC Telekabel Wien [27] , heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover nader uit te laten. Na de daarop volgende aktewisseling heeft het hof in rov. 2.1.2 en 2.1.3 TA2 overwogen dat NSE het standpunt heeft ingenomen dat zij haar bedrijfsactiviteiten niet zal hervatten, waarmee aan de orde wordt gesteld de vraag of Brein nog belang heeft bij toewijzing van haar vorderingen. Het hof heeft daarop partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover nader uit te laten.
VJV/De Staat(vgl. s.t. NSE onder 167) [31] . In die zaak werd jegens de Staat een verbod gevorderd met betrekking tot de inzet van kernwapens in NAVO-verband. Uw Raad overwoog dat voor ontvankelijkheid van verboden voor toekomstige handelingen vereist is dat er een concreet belang bestaat, dat wil zeggen dat er een reële dreiging is dat de handelingen waar het gevorderde verbod op ziet zullen worden verricht. Bij afwezigheid van een concrete en reële dreiging zou het debat in de procedure slechts kunnen gaan over de geoorloofdheid in abstracto. Het antwoord op de vraag of een reële dreiging bestaat is aan de feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het oordeel van het hof in de voorliggende zaak komt er in feite op neer dat er geen sprake is van een reële dreiging dat de handelingen waarop Brein de aanvullende maatregelen van toepassing wil laten verklaren nog door NSE zullen worden verricht, zodat er onvoldoende belang in de zin van art. 3:303 BW Pro bestaat. Daarbij heeft het hof dan ook nog betrokken dat onduidelijk is op welke wijze NSE – zou zij wel tot hervatting overgaan – haar bedrijfsactiviteiten zou inrichten (zie ook de bespreking van subonderdeel 5.6 hierna). Met dat oordeel heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Subonderdeel 5.7klaagt over de overweging dat een voortgezet debat voor de rechter en partijen tijdrovend en kostbaar zal zijn. Dit kan op zichzelf geen reden zijn om de aanvullende maatregelen niet te onderzoeken op doeltreffendheid en evenredigheid, nu het verrichten van een dergelijk onderzoek eigen is aan de taak van de rechter.
Subonderdeel 5.8richt een rechtsklacht over art. 3:13 BW Pro tegen het oordeel dat Brein misbruik van procesrecht zou maken. Dit omdat (i) misbruik wegens onevenredigheid van de betrokken belangen pas dan aan de orde is, als geen weldenkend mens in redelijkheid tot de uitoefening van de bevoegdheid had kunnen komen en (ii) bij het aannemen van misbruik van procesrecht terughoudendheid past, gelet op het recht op toegang tot de rechter. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu de door het hof genoemde omstandigheden niet de conclusie wettigen dat van een dergelijke onevenredigheid sprake is, aldus dit subonderdeel.
subonderdeel 5.9richt zich tegen het oordeel van het hof dat, kort gezegd, onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat de schadevergoedingsactie die NSE volgens Brein aan het voorbereiden is, voldoende belang oplevert voor het voortprocederen over de aanvullend op te leggen maatregelen.
2.Bespreking van het voorwaardelijke incidenteel cassatieberoep
hosting safe harborniet beperkt zou zijn tot schadevergoedingszaken, want ook dan slaagt de principale cassatieklacht onder 4.14 (vgl. hiervoor in 1.89).
nietmeedeelt aan het publiek, laat ik rusten. Voor de zelfstandige leesbaarheid van deze nadere conclusie herhaal ik hier de in mijn eerdere conclusie voorgestelde prejudiciële vraag:
incidenteel onderdeel 2bestaat volgens mij geen belang om de redenen aangegeven in mijn eerdere conclusie onder 3.3 [33] voor het geval evenbedoelde prejudiciële vraag positief wordt beantwoord, of indien geoordeeld wordt dat hier sprake is van een acte clair en van een mededeling aan het publiek.
incidentele onderdelen 3-6,die zien op oordelen van het hof over de vrijstellingsregeling van art. 6:196c BW, gaat naar mij voorkomt opnieuw, evenals bij de klachten in het principaal cassatieberoep over art. 6:196c BW de vraag vooraf of deze vrijstellingsregeling beperkt is tot schadevergoedingsacties (waarvan in onze zaak geen sprake (meer) is). Immers, indien zo’n beperking geldt, lijken mij deze klachten door de bank genomen niet tot cassatie te kunnen leiden, omdat deze veronderstellen dat art. 6:196c BW van toepassing is op een zaak als de onze, die juist geen schadevergoedingsactie behelst. Ik verwijs kortheidshalve naar wat ik hierover in de inleiding bij deze nadere conclusie schreef en naar 1.59 en 1.64, waarin van voortschrijdend inzicht sprake was over deze kernkwestie bij de beoordeling van principale onderdelen 2.2 en 2.4. Het verbaast dan niet, dat dit inzicht bij doordenken evenzeer geldt voor de aan art. 6:196c BW rakende incidentele klachten uit de onderdelen 3-6. Voor het geval besloten zou worden hierover prejudiciële vragen te stellen (het is bepaald pleitbaar dat dit een acte clair is), is een voorstel voor een drietal vragen gedaan in 2.46 van de vorige conclusie, welke vragen in deze nadere conclusie voor de zelfstandige leesbaarheid hiervoor al zijn weergegeven in 1.59.
hosting safe harboruit de e-Commercerichtlijn tot schadevergoedingsacties een acte clair wordt gevonden, dan kan volgens mij meteen geoordeeld worden dat geen belang bestaat bij de klachten uit incidentele onderdelen 3-6, waar ik ook op uit kwam in mijn eerdere conclusie onder 3.3. Incidentele onderdelen 3-6 vallen immers de inhoudelijke oordelen over art. 6:196c BW aan, dat evenwel ziet op een ander type zaak dan hier voorligt, zodat die klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
derde onderdeelziet op de vraag of er ruimte bestond voor (een debat over) het opleggen van andere maatregelen dan een stakingsbevel. Het hof heeft in rov. 3.6.9 TA1 overwogen dat ervan kan worden uitgegaan dat Brein met het door haar in haar vordering geformuleerde en als te ver strekkend beoordeelde bevel tevens impliciet een minder verstrekkende maar mogelijk wel effectieve maatregel heeft bedoeld te vorderen, zodat het hof zal onderzoeken wat de mogelijkheden zijn tot het opleggen van een minder ver strekkend bevel. In rov. 2.2.3 TA2 heeft het hof het verzoek van NSE om van deze beslissing terug te komen verworpen en daartoe onder meer overwogen dat het de rechter in het algemeen vrijstaat om een minder verstrekkend bevel op te leggen dan gevorderd en dat niet kan worden gezegd dat Brein slechts de door haar gevorderde maatregel, met uitsluiting van elke minder verstrekkende, wenst.
doch geen steun bieden voor de gedachte dat slechts de door haar gevorderde maatregel, met uitsluiting van elke minder verstrekkende, gewenst is(rov. 2.2.3 TA2)
.In dit oordeel ligt besloten dat het naar het feitelijk oordeel van het hof ook voor NSE redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat in het door Brein gevorderde meerdere het mindere besloten lag. Dat het hof niet uitdrukkelijk op dit vereiste is ingegaan kan worden verklaard doordat niet is gebleken dat NSE – na het eerste tussenarrest (maar voor deze cassatieprocedure) – heeft aangevoerd dat voor haar niet duidelijk was en ook redelijkerwijs niet duidelijk hoefde te zijn dat het mindere in het door Brein gevorderde meerdere besloten lag. In zoverre kan deze klacht niet tot cassatie leiden.
subonderdeel 3.2.3met nadere uitwerking in
subonderdelen 3.2.4-3.2.6heeft het hof niet geoordeeld dat en waarom voldoende duidelijk zou zijn (althans redelijkerwijs voldoende duidelijk kon zijn) voor NSE waartegen zij zich had te verweren. Integendeel: de overwegingen van het hof laten volgens de klacht geen andere conclusie toe dan dat niet voldoende duidelijk was voor NSE waartegen zij zich had te verweren en dat het mindere dus niet lag besloten in het meerdere.
subonderdeel 3.2.4).
subonderdeel 3.2.5).
subonderdeel 3.2.6).
op vordering van de maker.De specifieke maatregelen die het hof bespreekt vanaf rov. 3.4.7 TA1 hadden dus door Brein moeten zijn gevorderd. In het eerste tussenarrest heeft het hof slechts overwogen dat er maatregelen te bedenken zijn die op een effectieve wijze tot vermindering van de aanwezigheid van inbreukmakend materiaal leiden (rov. 3.7.8 TA1). Zelfs nadat partijen vervolgens uitvoerig aktes hadden gewisseld over deze aanvullende maatregelen, met daarbij deskundigenrapporten, is het hof in het tweede tussenarrest niet verder gekomen dan het formuleren van een groot aantal vragen ten aanzien van de door Brein bij akte van 11 november 2014 voorgestelde maatregelen. In het eindarrest heeft het hof overwogen dat voortzetting van het geding op dit punt met inzet van deskundigen naar dergelijke aanvullende maatregelen voor partijen en voor de rechter tijdrovend en kostbaar werk zal meebrengen, alleen al voor wat betreft de in het tweede tussenarrest geformuleerde vragen (rov. 2.7 EA). Hieruit volgt dat voor het hof allerminst duidelijk is welke minder verstrekkende voorziening wel op zijn plaats zou zijn. Hieruit volgt dat het voor NSE ook niet voldoende duidelijk was (en redelijkerwijs ook niet kon zijn) waartegen zij zich had te verweren en dat het mindere dus niet lag besloten in het meerdere.
subonderdeel 3.2.8heeft het hof miskend dat in hoger beroep de tweeconclusieregel van art. 347 Rv Pro in beginsel meebrengt (althans de eisen van de goede procesorde dat doen) dat de hiervoor behandelde beoordeling door de rechter, aangevallen in subonderdelen 3.2.1-3.2.7, of het mindere ligt besloten in het meerdere en of voldoende duidelijk was/althans voldoende duidelijk kon zijn voor de wederpartij waartegen zij zich had te verweren, dient te worden verricht, voor zover het gaat om de stellingen van de eisende partij, op basis van de stellingen vervat in (in dit geval) de memorie van antwoord (of stellingen van eerdere datum). Anders zou dit onverenigbaar zijn met de in beginsel ontoelaatbaarheid van een verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep na de memorie van grieven of van antwoord. Dat het hof partijen in de gelegenheid heeft gesteld om zich bij akte uit te laten over minder verstrekkende maatregelen maakt dat niet anders.
VI. Filteren
subonderdeel 3.2.10, dat geen zelfstandige klacht bevat, is opgenomen dat het hof in rov. 2.2.3 TA2 heeft geoordeeld dat er geen strijd is met de tweeconclusieregel, aangezien partijen bij hun eerste memories al zijdelings hebben gedebatteerd over andere maatregelen dan een stakingsbevel en het het hof vrijstond om van Brein een nadere toelichting te vragen op door haar bij antwoord in appel ingenomen standpunten.
subonderdeel 3.2.13aan dat indien het mindere niet besloten lag in het meerdere, al om die reden niet valt in te zien dat en waarom geen sprake zou zijn van ontoelaatbare nieuwe feiten en stellingen van Brein. Indien het mindere wel besloten zou liggen in het meerdere, betoogt
subonderdeel 3.2.14dat niet valt in te zien dat en waarom geen sprake zou zijn van ontoelaatbare nieuwe feiten en stellingen van Brein. Zoals in subonderdelen 3.2.1-3.2.7 uiteengezet, heeft het hof geoordeeld dat het door de rechtbank gegeven bevel niet aansluit bij de rol van NSE als verlener van diensten met behulp waarvan de inbreuk is gepleegd, welke situatie complexer is en zich leent voor andere soorten van bevel (rov. 3.6.6 TA1). In het eerste tussenarrest is het hof niet verder gekomen dan dat er naast de NTD-procedure maatregelen te bedenken zijn die op een effectieve wijze tot vermindering van de aanwezigheid van inbreukmakend materiaal leiden (rov. 3.7.8 TA1). Vervolgens heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de minder verstrekkende maatregelen. Indien het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat de stellingen van Brein bij akte van 11 november 2014 kunnen worden aangemerkt als een toelaatbare nadere precisering van eerder aangevoerde stellingen, dan is dit onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aangezien door deze stellingen van Brein ontegenzeggelijk een groot aantal geheel nieuwe elementen in het partijdebat zijn gebracht. Dit blijkt ook uit het tweede tussenarrest, waar het hof niet verder is gekomen dan het formuleren van een groot aantal vragen ten aanzien van de door Brein bij akte van 11 november 2014 voorgestelde maatregelen (rov. 2.4.1-2.7.1 TA2), en uit het eindarrest, waar het hof heeft overwogen dat nader onderzoek, mede door deskundigen, tijdrovend en kostbaar werk zal meebrengen (rov. 2.7 EA).
vierde onderdeelricht zich tegen het oordeel in TA1 dat er aanleiding is om NSE te bevelen een effectieve NTD-procedure in te voeren op straffe van een dwangsom, de handhaving van die beslissing in TA2 en het oordeel in het EA dat het feit dat NSE haar activiteiten niet meer zal hervatten niet betekent dat deze beslissing niet gehandhaafd kan worden.
in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaatte eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of voorkomt. (…)” [cursivering A-G]). Hieruit volgt al dat hoewel de wet op straffe van aansprakelijkheid vereist dat er een (effectieve) NTD-procedure bestaat, dit niet afdoet aan de mogelijkheid om – indien er geen (effectieve) NTD-procedure is (wat wettelijk dus mogelijk is, maar leidt tot het niet kunnen profiteren van de aansprakelijkheidsexoneratie) – een rechterlijk bevel op te leggen tot het invoeren van een (effectieve) NTD-procedure [40] .
niet is gebleken dat NSE reeds maatregelen heeft genomen die haar daartoe in staat stellen(rov. 3.7.2 TA1, tweede en derde volzin). Dat is een feitelijk oordeel en daarbij heeft het hof mede het oog gehad op art. 6:196c lid 4 onder b BW (rov. 3.7.1 TA1). Het hof heeft dus niet miskend dat NSE al wettelijk gehouden is tot het hanteren van een NTD-procedure (op straffe van aansprakelijkheid), maar geoordeeld dat NSE aan dat vereiste niet voldeed en terzake een bevel opgelegd, waartoe rechtens de mogelijkheid bestaat. De rechtsklacht faalt.
in beginselgeen limiet mag stellen aan het aantal per tijdseenheid aan te leveren en te verwerken meldingen die het effectief verwijderen van onrechtmatig materiaal in de weg staat. Daarbij heeft het hof overwogen dat de verwerkingscapaciteit minstens groter moet zijn dan het aantal nieuwe postings van inbreukmakend materiaal. Dat dit oordeel, dat door het gebruik van de woorden “in beginsel” ruimte laat voor eventuele beperkingen, in dit concrete geval de vrijheid van ondernemerschap in de kern raakt [42] , stelt het onderdeel niet en blijkt ook niet. Dat in feitelijke instanties is aangevoerd dat NSE’s vrijheid van ondernemerschap door een dergelijke maatregel in de kern wordt geraakt, staat niet in de klacht.
door Brein te meldeninbreukmakende content efficiënt te verwijderen. Dat NSE heeft gesteld dat te hebben gedaan, blijkt niet uit de aangehaalde vindplaatsen. In zoverre gaat de klacht niet op.
vijfde onderdeelis gericht tegen het oordeel over andere maatregelen die een Usenet-provider in aanvulling op een NTD-procedure zou kunnen nemen.
UPC Telekabel Wiendat voldoende is dat de maatregelen tot gevolg hebben dat niet-toegestane oproepingen van beschermde werken worden verhinderd of minstens bemoeilijkt en dat zij de gebruikers ernstig ontraden om zich toegang te verschaffen tot illegale content. Het hof heeft volgens de klacht “onder meer” miskend dat ook als bepaalde maatregelen niet tot een volledige beëindiging van alle inbreuken kunnen leiden, zij nog wel effectief kunnen zijn.
UPC Telekabel Wienzou hebben miskend, blijkt niet uit de arresten van het hof. Zo overweegt het hof in rov. 3.7.8 TA1 uitdrukkelijk dat er – naast de NTD-procedure – maatregelen zijn te bedenken die op effectieve wijze
tot vermindering van de aanwezigheid van inbreukmakend materiaal leiden.Om die reden heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld hierover nader te debatteren. Daarbij heeft het hof in rov. 3.7.9 TA1 overwogen dat de inhoud van
UPC Telekabel Wienvan belang kan zijn voor de omvang, inhoud en omschrijving van andere aan NSE op te leggen maatregelen, maar dat partijen met dat arrest nog geen rekening hebben kunnen houden, zodat partijen zich ook daar nog over kunnen uitlaten [44] .
UPC Telekabel Wien) effectieve maatregel wordt opgelegd (hier: een effectieve NTD-procedure), op grond van het Unierecht is uitgesloten dat er nog nadere, aanvullende, maatregelen worden opgelegd. Een dergelijke opvatting vindt geen steun in het recht. Integendeel, in
UPC Telekabel Wienspreekt het HvJEU uitdrukkelijk en herhaaldelijk over “maatregel
en” [45] . Wel dienen de op te leggen maatregelen op zichzelf en in onderling verband in overeenstemming te zijn met de beperkingen die volgens het Unierecht gelden. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat het opleggen van meerdere maatregelen ertoe leidt dat de maatregelen niet langer evenredig zijn of dat het evenwicht tussen de betrokken grondrechten wordt verstoord. Maar daaruit volgt niet dat er steeds niet meer dan één effectieve maatregel kan worden opgelegd.
Subonderdeel 5.2.4klaagt dat een dergelijk oordeel onbegrijpelijk is, omdat zo’n oordeel onverenigbaar is met de oordelen van het hof in rov. 3.4.10 en 3.7.3 TA1. Daaruit volgt immers dat niet vereist is dat een NTD-procedure nieuwe uploads tijdig onderschept.
Subonderdeel 5.2.6klaagt dat het oordeel ook onbegrijpelijk is, nu het onverenigbaar is met vaststelling van het hof dat de NTD-procedure van NSE wel degelijk effectief is (rov. 3.1.8, 3.4.9-3.4.11, 3.7.3 TA1).
voor het tijdig onderscheppen van nieuwe films en televisieseries”. Daarop loopt deze klacht spaak.
van een effectieve NTD-procedure. Die overweging ziet dus niet op de (eventueel) aan NSE op te leggen
aanvullende maatregelen.Ten aanzien van die aanvullende maatregelen heeft het hof in rov. 2.3.2 TA2 overwogen dat de omstandigheid dat NSE niet meer actief is op zichzelf niet in de weg staat aan het opleggen van aanvullende maatregelen, omdat de maatregelen ook op andere wijze dan toetsing in de praktijk van de bedrijfsvoering van NSE kunnen worden getoetst, zoals al blijkt uit door de partijen overgelegde rapportages. Tegen dit oordeel zijn de klachten uit dit subonderdeel echter niet gericht. Dat volgt, naast de omstandigheid dat het subonderdeel alleen rov. 3.7.2 TA1 noemt, ook uit de omstandigheid dat onderdeel 5 in zowel het incidenteel cassatieberoepschrift als in de schriftelijke toelichting als opschrift heeft “Onderdeel 5 – aanvullende maatregelen” en blijkens de inleiding in zowel het incidenteel cassatieberoepschrift als in de schriftelijke toelichting alléén is gericht tegen rov. 3.7.6-3.7.9 TA1 en rov. 2.3.3 TA2. Alleen al hierom kan het subonderdeel niet tot cassatie leiden.
en”spreekt (zie hiervoor in 2.56). Het oordeel van het hof in onderhavige zaak is verder niet dat er meerdere geschikte maatregelen mogelijk zijn (die het zelfde resultaat hebben), maar dat er naast de NTD-procedure nog aanvullende maatregelen mogelijk zijn. In dat verband herhaal ik dat het hof wel degelijk heeft beoordeeld of de “in elk geval passende maatregel” afdoende is en heeft geoordeeld dat er maatregelen te bedenken zijn die – naast de NTD-procedure – op effectieve wijze tot vermindering van de aanwezigheid van inbreukmakend materiaal leiden (rov. 3.7.8 TA1) en dat niet bestreden is de stelling van Brein dat alleen een NTD-procedure niet voldoende is voor het tijdig onderscheppen van nieuwe films en televisieseries (rov. 2.3.3 TA2). De klacht faalt.
zesde onderdeelis gericht tegen het oordeel van het hof over het woordfilter. Door Brein is voorgesteld om met de software Cleanfeed binnenkomende berichten voor een beperkt aantal nieuwsgroepen te filteren op door Brein aangeleverde “regular expressions” die selecteren op woorden die duiden op entertainment content, artiesten, titels van werken of combinaties daarvan. Er worden eenmaal per twee weken maximaal 500 “regular expressions” aangeleverd, zodat op maximaal 500 titels wordt gefilterd. Direct na binnenkomst van de berichten worden de “headers” daarvan gefilterd en de (positief) gefilterde berichten worden niet aan de eindgebruikers beschikbaar gesteld (rov. 2.4.1 TA2). Het hof heeft overwogen dat deze maatregel niet in strijd is met art. 15 e-Commercerichtlijn, omdat het gaat om een geautomatiseerd zoekproces, waarbij alleen de “headers” van binnenkomende berichten, bestemd voor bepaalde nieuwsgroepen, worden vergeleken met een beperkt aantal op dat moment – in verband met het beschikbaar komen van nieuwe populaire en beschermde content – relevante zoektermen. Zolang het gaat om een dergelijk beperkt zoekproces, kan niet worden gesproken van algemeen toezicht in de zin van voornoemd artikel (rov. 2.4.2 TA2).
subonderdeel 6.2.2).
subonderdeel 6.2.3).
subonderdeel 6.2.4).
SABAM-zaak) observatie door NSE van alle bij haar binnenkomende berichten. Dat geldt echter voor elk filter, omdat zo’n filter nu eenmaal moet beginnen met een “controle” van alle berichten [50] . Het door Brein voorgestelde woordfilter is echter beduidend specifieker dan het filter uit
SABAM.Dat laatste filter vereiste immers een selectie van werken waarop houders van IE-rechten beweren rechten te hebben en bepaling van welke van deze werken illegaal werden uitgewisseld, terwijl het Breinfilter op 500 specifieke “regular expressions” ziet [51] . Bovendien is het door Brein voorgestelde woordfilter beperkt in tijd, doordat elke twee weken nieuwe “regular expressions” worden aangeleverd. Over de vraag of dit woordfilter daarmee voldoende specifiek en beperkt in tijd is om niet te worden aangemerkt als verboden een algemene toezichtverplichting uit art. 15 e-Commercerichtlijn. REH, kan verschillend worden gedacht. Mij lijkt het voorgestelde Breinfilter geen verboden algemene toezichtsverplichting vanwege de aangegeven verschillen met het filter dat in
SABAMaan de orde was, maar bij gerede twijfel kan op dit punt een prejudiciële vraag geïndiceerd zijn. Ik houd het erop dat de rechtsklacht niet opgaat.
een geautomatiseerd zoekproces, waarbij
alleen headersvan de binnenkomende berichten,
bestemd voor bepaalde nieuwsgroepen,worden vergeleken met
een beperkt aantalrelevante zoektermen. In dit oordeel ligt besloten dat het hof van mening was dat het woordfilter beperkt was tot een speciaal geval [52] . Indien het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting – zoals het subonderdeel tot uitgangspunt neemt – dan is deze overweging op zichzelf bezien niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De klacht faalt.
alleen headersvan de binnenkomende berichten,
bestemd voor bepaalde nieuwsgroepen,worden vergeleken met
een beperkt aantalrelevante zoektermen. Naar het oordeel van het hof zat er dus een wezenlijk verschil tussen het filter dat in rov. 3.6.6 TA1 wordt besproken en het filter dat rov. 2.4.2 TA2 aan de orde was. Van innerlijke tegenstrijdigheid of onbegrijpelijkheid lijkt mij zodoende geen sprake. Ook deze klacht faalt.