Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairverzocht om de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie op nihil te stellen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat van de vrouw in redelijkheid verlangd kan worden dat zij volledig zelfstandig in haar behoefte voorziet en dat zij haar behoefte niet heeft aangetoond.
Subsidiairheeft de man verzocht de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op een bedrag van € 339,- bruto per maand vast te stellen met daaraan gekoppeld een afbouwregeling, inhoudende dat na ommekomst van ieder jaar de alimentatie met € 68,- bruto per maand wordt afgebouwd (en het laatste jaar met € 67,-) en dat de alimentatie per 1 januari 2021 op nihil wordt gesteld, althans dat een zodanige afbouwregeling binnen een zodanige termijn wordt vastgesteld als de rechtbank juist acht.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1.2 [6] , waar een klacht wordt geformuleerd tegen de rov. 5.14, 5.15 en 5.17. Daarin heeft het hof als volgt overwogen (voor de goede leesbaarheid worden ook de rov. 5.12 en 5.13 geciteerd):
onderdelen 3.1 t/m 3.24bevatten geen klachten doch een weergave van (een deel van) de bestreden rechtsoverwegingen, de stellingen van partijen in eerste aanleg, de beschikking van de rechtbank, de stellingen van partijen in hoger beroep en een overzicht van literatuur en jurisprudentie.
onderdelen 3.27 en 3.28bevatten evenmin een klacht, doch werken nader uit de stelling dat de situatie in de onderhavige zaak verschilt van die in genoemde uitspraak van 30 januari 2004 en de situatie in HR 12 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2871, NJ 1999/384.
onderdeel 1.3 [14] en is gericht tegen de rov. 5.12 t/m 5.15, hiervoor weergegeven in 2.2. Daarin overweegt het hof in de kern (i) dat de vrouw thans nog niet in staat is om geheel dan wel gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien, (ii) dat het redelijk is om de vrouw tot 1 januari 2019 de tijd en ruimte te geven om haar verdiencapaciteit te verwezenlijken en (iii) dat zij met ingang van die datum in staat moet worden geacht om een inkomen ter hoogte van 50% van het minimumloon te verdienen. De klacht bevat verschillende deelklachten. Alvorens die klachten te bespreken, schets ik eerst kort het kader tegen de achtergrond waarvan zij moeten worden bezien.
nietin eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, ook die uit vermogen, verminderen de behoefte aan een bijdrage. Bij het antwoord op de vraag of de alimentatiegerechtigde in redelijkheid in staat moet worden geacht om inkomsten verwerven, en hem of haar derhalve verdiencapaciteit moet worden toegedicht, zijn alle omstandigheden van belang. Daartoe behoren de opleiding en de werkervaring van de onderhoudsgerechtigde, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid van de onderhoudsgerechtigde en de zorg die hij of zij voor kinderen heeft. [16] Kan de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid wel geheel of ten dele in zijn levensonderhoud voorzien, maar laat hij dit na, dan kan de rechter met zijn ‘fictieve inkomsten’ rekening houden bij de vaststelling van zijn behoeften. [17]
onderdelen 3.31 t/m 3.34en de
onderdelen 3.36 t/m 3.40bevatten geen klacht doch een weergave van (een deel van) de bestreden rechtsoverwegingen en de stellingen van partijen in hoger beroep (“uitgangspunten”) en een overzicht van literatuur en jurisprudentie.
Onderdeel 3.35 klaagt dat het in rov. 5.12 gegeven en in rov. 5.13 nader uitgewerkte oordeel van het hof dat het onvoldoende onderbouwd acht dat de vrouw thans nog niet in staat is om geheel dan wel gedeeltelijk in haar levensonderhoud te voorzien, onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
Onderdeel 3.41herhaalt deze klacht, dit keer onder verwijzing naar de eerder weergegeven “uitgangspunten” en het geschetste juridisch kader.
ten tijde van het geven van zijn beschikking aanwezige omstandighedenrekening te houden en heeft dit ook gedaan. Bij zijn oordeel dat onvoldoende onderbouwd is dat de vrouw thans nog niet in staat is om geheel dan wel gedeeltelijk in haar levensonderhoud te voorzien en het oordeel dat het redelijk is om haar tot 1 januari 2019 de tijd en ruimte te geven om haar verdiencapaciteit te verwezenlijken, heeft het hof de volgende omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van belang geoordeeld:
onderdelen 3.42 en 3.43, die zich nader toespitsen op het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant in de beschikking van 13 februari 2015 dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich inspant om werk te vinden, zodat zij binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in haar levensonderhoud kon voorzien, en het oordeel dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij vanwege medische beperkingen geheel niet in staat is arbeid te verrichten, kunnen evenmin tot cassatie leiden. Het hof diende, met inachtneming van de door partijen in hoger beroep getrokken grenzen, zelfstandig een oordeel te geven over de behoeftigheid van de vrouw en de in dat verband van belang zijnde omstandigheden
op dat moment. Dit heeft het hof gedaan. Het hof was daarbij niet gebonden aan het oordeel daaromtrent van de rechtbank van 13 februari 2015.
onderdelen 3.44 tot en met 3.51gaan nader in op een aantal specifieke, in rov. 5.13 genoemde feiten en omstandigheden die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de vrouw tot 1 januari 2019 de tijd en ruimte moet worden gegeven om haar verdiencapaciteit te verwezenlijken.
Onderdeel 3.44neemt daarbij tot uitgangspunt dat, indien één van die feiten en omstandigheden blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, het oordeel in de rechtsoverwegingen 5.12 en 5.13 niet in stand kan blijven, nu het hof overweegt dat de desbetreffende omstandigheden “in onderlinge samenhang” moeten worden bezien. Dit betoog faalt. Ook indien één of meer van de feiten en omstandigheden die het hof hebben geleid tot het oordeel dat de vrouw tot 1 januari 2019 de tijd en ruimte moet worden gegeven om haar verdiencapaciteit te verwezenlijken, in cassatie met succes zou worden bestreden, dan zouden de andere feiten en omstandigheden het oordeel van het hof naar mijn mening toch nog kunnen dragen. In dat verband merk ik op dat het middel niet opkomt tegen de hiervoor in 2.13 onder (i) tot en met (iii) weergegeven omstandigheden, die het hof in rov. 4.13 noemt. Ook komt het middel niet op tegen de door het hof genoemde omstandigheid dat de vrouw de psychische klachten die zij thans ervaart,
ook al gedurende het huwelijk had.
onderdelen 3.45 en 3.46wordt geklaagd dat onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk is het oordeel dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij psychische klachten ervaart. Volgens de klacht gaat het er niet om of de vrouw psychische klachten
ervaart, maar of deze klachten haar in medische zin beletten om betaalde werkzaamheden te verrichten, en dat de man heeft betwist dat dit laatste het geval is. [24]
ervaart, te betwisten, laat staan gemotiveerd. Het woord “onweersproken” in de bestreden beschikking heeft dan ook niet zo heel veel betekenis. Uit de stellingen waarnaar het onderdeel verwijst, volgt dat man heeft betwist dat de vrouw psychische klachten heeft, althans dat eventuele medische klachten haar verhinderen om werkzaamheden te verrichten. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof aan die stellingen voorbij is gegaan faalt het op de gronden zoals hiervoor in 2.18 uiteengezet.
onderdeel 3.49zich tegen het oordeel dat de man een niet aflatende druk heeft uitgeoefend op de vrouw teneinde te bewerkstelligen dat er een eind komt aan zijn alimentatieverplichting. Het onderdeel stelt dat de man gebruik heeft gemaakt van een
wettelijke mogelijkheidom de rechter opnieuw te benaderen om nihilstelling van de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie te bewerkstelligen, en dat hij in dat verband heeft gesteld dat hij zich voorafgaand aan de betreffende procedures niet op een zodanige wijze heeft gemanifesteerd dat daarvan een zodanige druk uitging dat de vrouw niet een (zodanig) verwijt kan worden gemaakt dat zij niet is ingegaan op de door de man aangegeven mogelijkheden om te trachten betaald werk te verkrijgen. [28]
zelfstandigeen oordeel gaf. Dit heeft het hof ook gedaan. Het hof heeft in de rov. 5.12 en 5.13 geoordeeld dat de vrouw tot 1 januari 2019 niet in staat is om geheel of gedeeltelijk in haar levensonderhoud te voorzien. Het heeft vervolgens in rov. 5.14 overwogen dat de verdiencapaciteit van de vrouw in redelijkheid niet gelijk kan worden gesteld aan het minimumloon, maar op 50% daarvan. Anders dan het onderdeel klaarblijkelijk veronderstelt, heeft het hof in dat oordeel niet alleen betrokken de psychische klachten die de vrouw ervaart (en die het hof in het licht van de inhoud van de in 2.17 genoemde producties klaarblijkelijk ook aanwezig oordeelt). Het hof heeft, door in rov. 5.14 te verwijzen naar de in rov. 5.13 genoemde omstandigheden, ook rekening gehouden met het feit dat de vrouw al lange tijd niet meer heeft gewerkt, de leeftijd van de vrouw, haar beperkte opleidingsniveau en het gebrek aan werkervaring. Het oordeel in rov. 5.14 is eveneens zodanig verweven met de feiten en omstandigheden dat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Onbegrijpelijk is het niet.
onderdeel 1.4 [31] , dat is gericht tegen de rov. 5.14 en 5.15. Geklaagd wordt dat het oordeel dat de vrouw met ingang van 1 januari 2019 in staat zal zijn om een inkomen ter hoogte van 50% van het minimumloon te verdienen, onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
onderdelen 3.59 en 3.60bevatten geen klacht doch passages uit de literatuur met betrekking tot de motiveringseisen die worden gesteld aan een nihilstelling van partneralimentatie met ingang van een toekomstig tijdstip. [32]
op nihil gesteld. [33] Dat is in de onderhavige zaak niet het geval. Het hof heeft de alimentatie ten behoeve van de vrouw immers per een datum in de toekomst verlaagd, niet op nihil gesteld. Onderdeel 3.61 maakt niet duidelijk wat precies de “geldende motiveringseisen” zijn die het hof zou hebben geschonden. De klacht dat het hof zijn oordeel met betrekking tot de belastbaarheid van de vrouw voor een fulltime dienstbetrekking uitsluitend heeft gebaseerd op basis van de stellingen van de vrouw in haar beroepschrift, mist feitelijke grondslag. Zoals gezegd heeft de vrouw ten behoeve van de mondelinge behandeling op 23 mei 2017 een aantal producties in het geding gebracht. Uit de brief van de GZ-psycholoog van 2 mei 2017 (productie 25, hiervoor geciteerd in 2.17) kan niet alleen worden afgeleid dat de vrouw naar het oordeel van de GZ-psycholoog verschillende psychische klachten heeft, maar ook dat die klachten niet op korte termijn zullen zijn verdwenen. Het hof heeft bij zijn oordeel dat aannemelijk is dat de psychische klachten die de vrouw ervaart, eraan in de weg staan dat zij belastbaar is voor een fulltime dienstbetrekking, klaarblijkelijk acht geslagen op de brief van 2 mei 2017. Het oordeel is in het licht van de inhoud van die brief allerminst onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor het oordeel in rov. 5.14 dat de verdiencapaciteit van de vrouw in redelijk moet worden vastgesteld op 50% van het minimumloon. In dat verband zij opgemerkt dat het hof in rov. 5.14 niet alleen de psychische klachten van de vrouw vermeldt, doch tevens expliciet verwijst naar de in rov. 5.13 genoemde omstandigheden. Deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van belang in het kader van het bepalen van de verdiencapaciteit. Het betoog van onderdeel 3.57 dat het woord “aldus” in de eerste volzin van rov. 5.15 (uitsluitend) terugslaat op de laatste volzin van rov. 5.14 dat de vrouw niet fulltime kan werken, berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Het oordeel in de eerste volzin van rov. 5.15 is immers een beknopte conclusie van hetgeen het hof eerder in de rov. 5.12 t/m 5.14 heeft overwogen.