ECLI:NL:HR:2004:AO1335
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking partneralimentatie tot 1 mei 2006 met mogelijkheid tot herziening
De zaak betreft een geschil over partneralimentatie na echtscheiding tussen partijen die in 1985 zijn gehuwd en in 2002 zijn gescheiden. De man verzocht de rechtbank om de alimentatie aan de vrouw te beperken, terwijl de vrouw een hoger bedrag eiste. De rechtbank kende de vrouw een alimentatie toe van ƒ 3.320,-- per maand vóór uitkoop en ƒ 2.490,-- daarna. Het hof vernietigde deze beschikking deels en stelde de alimentatie vast op € 1.255,-- tot uitkoop en € 905,-- daarna, met een beëindiging per 1 mei 2006.
De vrouw ging in cassatie tegen de beëindiging van de alimentatie per 1 mei 2006. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht gebruik maakte van de mogelijkheid om rekening te houden met een toekomstige omstandigheid, namelijk dat de vrouw vanaf die datum in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De Hoge Raad benadrukte dat dit geen definitieve beëindiging is, omdat de vrouw op grond van art. 1:401 BW Pro de beschikking kan laten wijzigen indien de omstandigheden anders blijken.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom de alimentatie per 1 mei 2006 op nihil werd gesteld, en dat de vrouw niet aannemelijk had gemaakt dat zij door medische beperkingen niet zou kunnen werken. Hiermee werd de alimentatiebeëindiging met mogelijkheid tot herziening bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de partneralimentatie per 1 mei 2006 op nihil wordt gesteld met behoud van de mogelijkheid tot herziening.