Conclusie
Het Land Sint Maarten
Stichting Kadaster & Hypotheek-wezen Sint Maarten
1.Feiten en procesverloop
‘No. 3. Geregistreerd te St. Maarten op vijf Januari 1900 twee en veertig onder nummer drie. De Ontvanger,’met handtekening.
primairgevorderd dat het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten (hierna: GEA) - zakelijk weergegeven - (i) voor recht verklaart dat [verzoekers] eigenaar zijn geworden van het gehele gebied tussen de Armenhuisstraat en de Fresh Pond (en tussen de Little Bay Road en de zee) [6] (ii) voor recht verklaart dat erfpachtuitgiften door het Land nietig zijn dan wel dat deze uitgiften onbevoegd hebben plaatsgevonden (iii) voor recht verklaart dat de akte van 10 juli 2006 ingeschreven onder C, deel 241 no. 43 nietig is dan wel vernietigbaar (iv) bepaalt dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van deze akte (v) bepaalt dat dit vonnis door de bewaarder zal worden ingeschreven. De
subsidiairevordering van [verzoekers] houdt in dat het GEA voor recht verklaart dat [verzoekers] door verjaring eigenaar zijn geworden van het perceel beschreven in meetbrief nr. 149/1999, dat zulks in de openbare registers dient te worden ingeschreven en dat verder voor recht zal worden verklaard dat het Land en de Stichting onrechtmatig jegens [verzoekers] hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot vergoeding van schade, op te maken bij staat. [7]
Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek(‘Wanneer de wet van toepassing wordt, heeft dat niet tot gevolg dat alsdan: a. iemand een vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren geldende recht had verkregen’) heeft artikel 3:106a BW slechts betekenis voor de toekomst.
[A] v. Sint Eustatiusheeft het Hof op 29 augustus 2008 (cassatieberoep verworpen op 24 december 2010: ECLI:NL:HR:2010:B02422) overwogen:
Tridon e.a. en Damoiseau e.a. v. Island GEM Enterprises).
Land Curaçao v. Obersi, ECLI:NL:OGHACMB:2013:19 en 28 februari 2014,
Land Sint Maarten v. Flanders, ECLI:NL:OGHACMB:2014:18.
Land Sint Maarten v. Flanders.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
primairhet ‘lot of land’ bedoeld in de akte van 5 januari 1942, dat zou worden begrensd door de Breekwatersteeg (links) en de Armenhuissteeg (rechts), en dat thans een zestal percelen omvat, omschreven in de meetbrieven 149/1999, 171/2009, 184/1991, 226/1987, 211/2011 en 101/1953 [12] (hierna ook: het Perceel [13] ).
overheidsgrond(rov. 4.8).
obligatoire rechtenmet betrekking tot (uitsluitend) het
huisen als zodanig niet vatbaar is voor inschrijving in de openbare registers (rov. 4.6-4.9, 4.11).
houder voor het Landen dat, nu van interversie in bezit niet is gebleken, van het voor een beroep op verjaring vereiste bezit geen sprake is (rov. 4.15).
niet bekendis
wiein 1942 eigenaar was van de grond waarop het verkochte huis gebouwd is – uit het
stelsel van de wet(waarbij verwezen wordt naar artt. 572, 860 lid 2 en 1155 oud BW en artt. 5:24, 4:189 en 4:226 nieuw BW) volgt dat de grond dan
geldt als overheidsgrond(rov. 4.8). Daartoe wordt aangevoerd dat het hof niet (kenbaar) heeft getoetst of voldaan is aan de/alle vereisten van het destijds geldende art. 572 BWNA Pro (oud). [14] Dit wordt als volgt uitgewerkt.
onbeheerdis en (ii)
geen eigenaarheeft. Het Land heeft geen beroep gedaan op art. 572 BWNA Pro (oud) [15] en niet gesteld dat het Perceel onbeheerd was en geen eigenaar had. Het hof heeft zulks ook niet vastgesteld.
niet blijkt wie in 1942 eigenaar wasvan het Perceel. Dit oordeel is onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, omdat (i) uit de notariële akte van 5 januari 1942 blijkt dat [betrokkene 4] heeft verklaard eigenaar te zijn van het huis en dat hij dan dus, gelet op het natrekkingsbeginsel, ook eigenaar moet zijn geweest van de grond waarop het huis gebouwd is en (ii) de Stichting heeft gewezen op oudere akten waaruit weldegelijk blijkt wie voor 1942 eigenaar was van het Perceel. [16]
subonderdeel 1.2-cmiskent het hof dat artikel 860 en Pro 1155 BWNA (oud) en het nieuw Burgerlijk Wetboek
niet relevantzijn. Artikel 860 en Pro 1155 BWNA (oud) zien op situaties waarin een erflater geen erfgenamen heeft. Het nieuwe Burgerlijk Wetboek is niet relevant omdat het in 1942 niet van kracht was.
"het stelsel van de wet”als niet alleen onjuist maar ook onwenselijk, omdat het de deur openzet voor misbruik en onterechte onteigening door de staat. Daartoe wordt aangevoerd, samengevat, dat het algemeen bekend is dat op de bovenwindse eilanden, waaronder Sint Maarten, als gevolg van het lange tijd niet/gebrekkig functioneren van kadaster, notariaat en registratie rechtsonzekerheid bestaat over de vraag aan wie registergoederen toebehoren en dat op dit moment zowel het Land als de Stichting met ernstige integriteitsproblemen kampen. Aanvaardt men tegen deze achtergrond de rechtsopvatting van het hof, dan zet dit de deur open voor misbruik. Dit geldt eens temeer nu het hof oordeelde dat na toepassing van art. 572 BWNA Pro (oud) kennelijk geen beroep meer kan worden gedaan op verkrijgende verjaring (zie onderdeel 3). Men kan in Sint Maarten ten aanzien van ieder stukje grond volhouden dat de eigendomsverhoudingen op enigerlei moment in het verleden (bijv. 1870, 1910, 1942 of 1955) niet helemaal duidelijk waren en dat de grond als gevolg daarvan eigenlijk altijd al aan de staat toebehoorde.
Liggende gronden en andere onroerende zaken, die geenen eigenaar hebben, zeide de eerste redactie van dit art. in het ontw. van 24 Oct. 1823. Op de aanmerkingen der afdeelingen is zulks veranderd, zoo als het artikel nu gelezen wordt.
onbeheerden
zonder meester, zoude zulks
door den Staatmoeten
bewezenworden.
als onbeheerden
zonder meester, zulks zal moeten bewijzen.” - Die afdeeling verlangde, >>dat dit punt, in het verslag der centrale afdeeling zoude worden opgenomen.”
dat het regt van den Staat op onbeheerde grondserven, opTOEËIGENING
berust.” [17]
tweeafzonderlijke vereisten, met dien verstande dat uit de zojuist aangehaalde wetsgeschiedenis wordt afgeleid dat het begrip ‘onbeheerd’ beperkt moet worden opgevat. Opgemerkt wordt dat het artikel in de oorspronkelijke redactie gemakkelijk aldus kon worden opgevat dat “tegen een eisch van den Staat niet de gewone regelen van bezit en verjaring, maar enkel titel van eigendom zou gelden.” Daarom bestond aanleiding voor de vrees, zoals geuit bij de parlementaire behandeling, dat “de staat zich goederen zou toe-eigenen, sinds een reeks van jaren door bijzondere personen bezeten, zonder dat deze een behoorlijke titel van eigendom in handen hebben.” Nu de Regering verklaarde door de bijvoeging van het woord ‘onbeheerd’ de geopperde zwarigheid uit de weg te willen ruimen, betekent ‘onbeheerd’ niet dat er niemand is die zich om de zaak bekommert, maar is het voldoende dat er geen bezitter
animo dominiaanwezig is, aldus de auteur. [18] Deze lezing wordt in 1871 onderschreven door Opzoomer. [19] Ook Cleveringa leidt uit de aangehaalde wetsgeschiedenis af dat er in art. 576 BW Pro (oud) sprake was van twee afzonderlijke vereisten en niet van één met de nadruk van een dubbele uitdrukking. [20]
gelijkebetekenis hebben, evenals ‘vacans’ en ‘sans maître’ in de Franse tekst van art. 619 Wetboek Pro van 1830 en in art. 539 CN Pro. Hij bestrijdt de opvatting van Opzoomer dat onroerende goederen om uit kracht van art. 576 aan Pro de staat te behoren, noch eigenaar noch bezitter zouden moeten hebben. Die opvatting wordt volgens Diephuis niet bevestigd, veelmeer belet, door de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis. Uit de passage “Wanneer de Staat derhalve op zoodanig goed eenige aanspraak zoude willen maken, als onbeheerd en zonder meester, zoude zulks door den Staat moeten bewezen worden” wordt afgeleid dat naar de voorstelling van de regering “het feit, dat eenig onroerend goed door iemand als het zijne wordt bezeten, niet belet, dat het als onbeheerd en zonder meester beschouwd en als zoodanig door den Staat opgeëischt kan worden, wanneer deze maar bewijst, dat het niet aan den bezitter toebehoort, en, ofschoon door hem bezeten, toch inderdaad onbeheerd en zonder meester is.” [21]
stelsel van de wettot uitgangspunt genomen en daaruit afgeleid dat
onbekendheidvan de eigenaar tot de kwalificatie ‘overheidsgrond’ leidt, waar het had moeten toetsen aan (alle vereisten van) art. 572 BWNA Pro (oud), waaronder in ieder geval het vereiste van het
ontbrekenvan een eigenaar.
vaststaande(artt. 572 en 860 lid 2 BWNA (oud), artt. 5:24 en 4:189 BW Sint Maarten) dan wel het
eventuele(artt. 1155 BWNA (oud) en 4:226 BW Sint Maarten)
ontbrekenofwel
niet-bestaanvan een (andere) rechthebbende. Dat is een ander criterium dan het door het hof uit het stelsel van de wet gedestilleerde
onbekendzijn
wiede (bestaande) eigenaar is. Voorts laat zich uit de parlementaire geschiedenis afleiden dat de verkrijging door de overheid van onroerende zaken zonder eigenaar buiten de sfeer van het erfrecht (opengevallen nalatenschappen) exclusief wordt beheerst door de specifiek op eigendom van onroerende zaken ziende wetsbepalingen (art. 5:24 BW Pro(NA) en voorgangers) en de daarin gestelde vereisten. [42]
enigevereiste stelt dat de grond geen (andere) eigenaar heeft en dat derhalve het ‘onbeheerd zijn’ niet een afzonderlijk vereiste vormt. Het Land heeft in dat geval derhalve de stelplicht en eventuele bewijslast ter zake van het ontbreken van een eigenaar. [44]
subonderdeel 1.2-bgeen bespreking.
tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak". Volgens de subsidiaire motiveringsklacht is het hof niet voldoende gemotiveerd ingegaan op de volgende stellingen:
is ingeschreven in de openbare registers," tegen welk oordeel noch het Land noch de Stichting een grief heeft gericht, als gevolg waarvan het hof van dat oordeel had moeten uitgaan. Het was bovendien strijdig met de in beginsel strakke regel en/of de goede procesorde dat het Land eerst bij pleidooi in hoger beroep terugkwam op zijn bij memorie van grieven als juist erkende stelling dat de akte was ingeschreven in de openbare registers.
subonderdeel 3.2-bmoet uit de (summiere) motivering van het hof kennelijk worden opgemaakt dat het hof van oordeel is dat de vaststelling dat de staat in 1942 eigenaar was automatisch meebrengt dat [verzoekers] nimmer bezitter van de grond konden zijn. Dat oordeel is rechtens onjuist omdat men ook grond kan bezitten die in eigendom aan een ander toebehoort.
[A] v. Sint Eustasiusof
Sint Maarten/Flanderszonder (kenbaar) te toetsen met inachtneming van de feiten en omstandigheden in deze zaak getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Aangevoerd wordt, samengevat, dat in het onderhavige geval, anders dan in de door het hof genoemde zaken
[A] v. Sint Eustasiusen
Sint Maarten/Flanders, het Perceel nimmer aan de staat toebehoorde en dat gesteld noch gebleken is dat het Land de grond aan [verzoekers] in gebruik heeft gegeven of huur heeft gerekend of dat [verzoekers] de grond voor een ander hebben ‘beheerd’.
subonderdelen 3.2-a en 3.2.-c. De enkele verwijzing naar die eerdere uitspraken van het hof vormt niet een voldoende motivering nu de uitgangspunten in die zaken anders (lijken te [63] ) zijn dan in de onderhavige zaak en het hof aldus miskent dat de verkeersopvatting zich richt op alle concrete omstandigheden van het geval. Voor zover ik uit de gepubliceerde uitspraken kan afleiden, was de staat in die gevallen daadwerkelijk eigenaar en werd zij niet voor eigenaar gehouden op basis van art. 572 BWNA Pro (oud). In dit laatste geval ligt een bewust gedogen minder voor de hand. Voorts kan het oordeel van het hof in rov. 4.15 wellicht nog worden begrepen tegen de achtergrond van de casus van [A] /St. Eustatius waarin het ging om het gebruik van uitgestrekte, niet omheinde (natuur)landschappen (ca. 5% van de totale oppervlakte van St. Eustatius) maar niet, althans niet zonder meer, in een casus zoals de onderhavige waarin het gaat om het gebruik, na een vermeende overdracht, van een relatief beperkt stuk bebouwde grond in een stedelijke omgeving. De aard en bestemming van het betrokken goed dienen immers in aanmerking te worden genomen bij de beantwoording van de vraag of iemand naar verkeersopvatting bezitter is geworden. [64] Zonder nadere toelichting is niet toereikend gemotiveerd dat de door [verzoekers] aangedragen omstandigheden – het sinds 1942 onafgebroken bewonen, bebouwen en verhuren – in de concrete omstandigheden van het geval geen bezit kunnen constitueren.