Conclusie
1.Procesverloop
2.Verstekbeoordeling
TSM/Geisseler [8] oordeelde de Hoge Raad dat, indien de verwerende partij woonplaats of werkelijk verblijf heeft in een land dat enkel partij is bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, welk verdrag niet beoogt wijziging te brengen in de wettelijke bepalingen van verdragsstaten die gelden met betrekking tot de wijze waarop processtukken ter kennis van in het buitenland wonende partijen worden gebracht, het exploot op grond van art. 63 Rv Pro kan worden gedaan aan de laatstelijk gekozen woonplaats. Ter motivering heeft de Hoge Raad daartoe verwezen naar de parlementaire geschiedenis bij de invoering van de voorlopers van art. 63 Rv Pro [9] , waarin is opgenomen [10] :
HRC/RKA [12] heeft de Hoge Raad de vraag beantwoord of zijn rechtspraak over de verhouding tussen enerzijds de Betekeningsverordening II en het Haags Betekeningsverdrag en anderzijds art. 63 lid 1 Rv Pro en art. 115 (oud) Rv bij de invoering van digitaal procederen haar werking heeft behouden (rov. 2.1.3). Geoordeeld is dat ook onder het sinds 1 maart 2017 geldende (digitale proces)recht (bij de Hoge Raad) een exploot op de voet van art. 63 lid 1 Rv Pro kan worden uitgebracht door middel van een kantoorbetekening in gevallen waarin degene voor wie het stuk is bestemd een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een lidstaat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is, dan wel in een (al dan niet in Europa gelegen) staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag (rov. 2.2.6).