Conclusie
[verweerster 1],
[verweerder 2],
1.Feiten
Pearson) is uitgever van ongeveer 200 psychologische tests. De tests van Pearson worden onder meer gebruikt voor psychodiagnostisch onderzoek in het kader van diagnosestelling bij (psychische) stoornissen en ziektebeelden, intelligentie-beoordelingen en medische adviezen.
[verweerster 1]) is een ontwikkelaar van software. Zij exploiteert onder meer het Roermond’s Score Programma (hierna:
RSP). [verweerder 2] (hierna:
[verweerder 2]) is oprichter en via [A] B.V. enig aandeelhouder. Ik zal [verweerster 1] en [verweerder 2] hierna gezamenlijk aanduiden als
[verweerders]
2.Procesverloop
de rechtbank) bij tussenvonnis van 30 november 2011 [5] zowel het beroep van Pearson op auteursrechtelijke bescherming als op het databankenrecht afgewezen. In cassatie is uitsluitend het databankenrecht nog aan de orde. [6] Ik geef hieronder daarom alleen de overwegingen weer op grond waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat de normtabellen met normgegevens van Pearson niet zijn aan te merken als een databank in de zin van de Databankenwet (rov. 5.12). [7] Eerst formuleert de rechtbank de juridische uitgangspunten:
5.3. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1 lid 1 sub a Dw Pro de definitie van een databank in de zin van deze wet is: ‘een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen die systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk zijn en waarvan de verkrijging, de controle of presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering’.
enThe British Horseracing Board/William Hill
). Ook het begrip ‘investering in de presentatie van de inhoud van een gegevensverzameling’ moet beperkt worden uitgelegd. Niet alle kosten voor de presentatie vallen daaronder, maar alleen die kosten die worden gemaakt om de databank de gegevens te kunnen laten verwerken. Indien de in de databanken opgenomen gegevens tevens dienen voor een andere (hoofd)activiteit van de producent van de databank, de zogenaamde ‘spin-off-gegevens’, kunnen deze wel voor bescherming in aanmerking komen, mits de investeringen voor het creëren van de betreffende gegevens niet worden meegenomen (HR 22 maart 2002, NJ 2003/149,El Cheapo
).”
5.8. De rechtbank overweegt dat Pearson erkent dat de ruwe data, zoals deze door haar zijn aangekocht, niet in dezelfde vorm in de databanken worden geplaatst, aangezien de data eerst statistisch worden bewerkt en ook niet allemaal terugkomen in de tabellen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.5 is overwogen over het begrip ‘investering’ in de zin van de Dw, vallen uitsluitend de investeringen die zijn gedaan om bestaande gegevens in de databanken te plaatsen hieronder en niet de investeringen die betrekking hebben op de totstandbrenging van de in de databank geplaatste gegevens. Dit brengt met zich dat de investeringen die zijn gedaan in de aankoop van de ruwe data, de investeringen in het invoeren en de controle van de ruwe data, alsmede de investeringen in de bewerking van de ruwe data tot de (uiteindelijke) normgegevens niet kunnen worden meegenomen bij de beoordeling of sprake is van een substantiële investering in de zin van de Dw.
het hof) in hoger beroep gekomen van genoemde vonnissen.
om een verzameling van (objectieve) onderzoeksresultaten, meer specifiek feitelijke informatie over testgedrag van normgroepen, dat in tabellen is weergegeven.” (rov. 3.5.4). Het hof oordeelt verder dat [verweerders] zich jegens Pearson niet schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie of onrechtmatig handelen door onderdelen van haar tests over te nemen (rov. 3.7.1-3.7.4).
Databankenrecht
arrest van 9 november 2004 C-444/02), spelen investeringen in eerstbedoelde zin immers geen rol bij de vraag of (in databankenrechtelijke zin) in de desbetreffende verzameling van gegevens substantieel is geïnvesteerd, en zullen derhalve in het onderhavige geval de kosten die gemaakt zijn voor het totstandbrengen/creëren van de normgegevens niet in aanmerking kunnen worden genomen. Voorts geldt dat een databank bestaande gegevens dient te ordenen en toegankelijk te maken die ieder op zichzelf beschouwd informatieve waarde hebben (“zelfstandige elementen” zijn in de zin van artikel 1 lid 1 sub a Databankenwet Pro).Daarom zijn (uitsluitend) de kosten die zien op het ontsluiten van dergelijke, reeds bestaande, zelfstandige informatieve elementen - en met name niet de kosten die betrekking hebben op het creëren (van de inhoudelijke waarde) daarvan - relevant voor de vraag of sprake is van een substantiële investering in databankenrechtelijke zin.
3.De Databankrichtlijn en de Databankenwet: een inventarisatie
Op het oordeel van het hof dat de psychologische tests van Pearson niet auteursrechtelijk en databankrechtelijk zijn beschermd is op zichzelf weinig af te dingen.” [11]
The most interesting part of the judgement concerned a paragraph in the users’ manual, (…) which prohibited the copying or duplication of any part of the databases without Pearson’s permission. The approach that the Court of Appeal takes towards this passage is interesting in light of the 2015 Ryanair judgement of the Court of Justice.” [12]
Databankrichtlijn). Deze richtlijn bevat de volgende definitie van ‘databank’:
auteursrechtelijkebeschermingsmaatstaf, die aansluit bij het in de meeste continentale EU-lidstaten gehanteerde originaliteitsvereiste. [15] De keuze en de rangschikking van de inhoud van de databank moeten berusten op een eigen intellectuele schepping van de maker. Deze auteursrechtelijke bescherming heeft betrekking op de
structuurvan de databank, niet op de daarin opgeslagen gegevens.
(15) Overwegende dat het enige criterium om te bepalen of een databank in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming moet zijn dat zij door de keuze of de rangschikking van haar inhoud een eigen intellectuele schepping van de maker vormt; dat deze bescherming betrekking heeft op de structuur van de databank;”
(…)”
Voorwerp van bescherming
common lawjurisdicties op grond van gepleegde inspanningen (‘
skill and labour’) auteursrechtelijke bescherming genoten, die bescherming zouden verliezen. Dat besef was mede gebaseerd op rechtspraak waaruit volgt dat verzamelingen van feitelijke gegevens zoals telefoonboeken niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen en daarom tot het publieke domein behoren. [16] Gezocht is toen naar een manier om dit verlies aan bescherming zo goed mogelijk te compenseren. Regels inzake oneerlijke mededinging, die in sommige lidstaten als vangnet dienen in situaties waarin geen inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht kan worden aangetoond maar wel sprake is van ontoelaatbaar handelen (zoals slaafse nabootsing), boden niet de door de Europese wetgever wenselijk geachte mate van bescherming. [17]
(39) Overwegende dat de onderhavige richtlijn niet alleen de bescherming beoogt van het auteursrecht op de originele keuze of rangschikking van de inhoud van databanken, maar ook de bescherming van de fabrikanten van databanken tegen onrechtmatige toe-eigening van de resultaten van de financiële en professionele investeringen die zijn gedaan om de inhoud te verkrijgen en te verzamelen, door de gehele databank of substantiële delen ervan te beschermen tegen bepaalde handelingen die door de gebruiker of een concurrent worden verricht;
de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering” en aan de achterkant beperkt door de eis dat opvraging of hergebruik betrekking hebben op “
een in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van die inhoud”.
Artikel 1
het bezwaar van een te ruime definitie van ‘databank’”. [22] Een verzameling gegevens die voldoet aan de definitie van ‘databank’ in art. 1 lid 2 van Pro de Databankrichtlijn is dus niet steeds aan te merken als een databank in de zin van de Databankenwet omdat deze wet alleen van toepassing is op databanken waarin substantieel is geïnvesteerd. De juistheid van de door de Nederlandse wetgever op dit punt doorgevoerde implementatie staat in deze zaak niet ter discussie. De Duitse wetgever heeft overigens voor een zelfde benadering gekozen. [23] De definitie van ‘databank’ in art. 1 lid 2 van Pro de Databankrichtlijn is (apart) omgezet in art. 10 lid 3 Auteurswet Pro.
De producent van een databank heeft het uitsluitende recht om toestemming te verlenen voor de volgende handelingen:
het verzamelen van de werken, gegevens of andere zelfstandige elementen die tezamen de inhoud van de databank vormen.” [24]
PR Aviation/Ryanairkreeg de Hoge Raad gelegenheid daarover te oordelen. Hij volgde het standpunt van Hugenholtz [28] en vond daarvoor steun in het arrest
Football Dataco/Yahoo. [29] De geschriftenbescherming is per 1 januari 2015 volledig (en dus niet alleen voor databanken) afgeschaft. [30]
Hof van Justitieof kortweg
het Hof) heeft om te beginnen over het begrip ‘databank’ duidelijkheid verschaft. Voor deze cassatieprocedure is met name de uitleg van belang die het Hof in de arresten
Football Dataco/Yahoo [31] en
Freistaat Bayern/Verlag Esterbauer [32] aan de term ‘zelfstandige elementen’ heeft gegeven. [33] Ik citeer hierna de relevante overwegingen van laatstgenoemd arrest. Die zaak ging over de vraag of geografische gegevens die uit een topografische kaart worden gelicht met het oog op de vervaardiging en de commerciële exploitatie van een andere kaart, na deze verrichting nog voldoende informatieve waarde hebben om te kunnen worden aangemerkt als ‘zelfstandige elementen’ van een databank in de zin van art. 1 lid 2 van Pro de Databankrichtlijn. Het Hof beantwoordde deze vraag bevestigend. Ik wijs op de volgende overwegingen:
12 In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het met de door de Uniewetgever nagestreefde doelstelling in overeenstemming is om aan het begrip ‘databank’ in de zin van richtlijn 96/9 een ruime betekenis toe te kennen, los van overwegingen van formele, technische of materiële aard (zie arrestenFixtures Marketing
, C-444/02, EU:C:2004:697, punt 20, enRyanair
, C-30/14, EU:C:2015:10, punt 33).
, C-444/02, EU:C:2004:697, punt 35, enFootball Dataco e.a
., C-604/10, EU:C:2012:115, punt 26).
, C-444/02, EU:C:2004:697, punt 33, enFootball Dataco e.a
., C-604/10, EU:C:2012:115, punt 26).
(C-444/02, EU:C:2004:697) moet de zelfstandige informatieve waarde van een element dat uit een verzameling is gelicht dan ook worden beoordeeld in het licht van de waarde die de informatie heeft voor welke derde dan ook die belangstelling toont voor dat element, en niet in het licht van de waarde die deze informatie heeft voor een typische gebruiker van de betreffende verzameling. In dat arrest heeft het Hof namelijk geoordeeld dat gegevens over een voetbalwedstrijd die een vennootschap die kansspelen organiseerde, had gehaald uit een verzameling die was opgezet door de organisatoren van een voetbalcompetitie en die informatie bevatte over alle wedstrijden van die competitie, een zelfstandige waarde hadden aangezien zij belanghebbende derden, namelijk de klanten van die vennootschap, de relevante informatie verschaften (zie arrestFixtures Marketing
, C-444/02, EU:C:2004:697, punt 34).
The British Horseracing Board/William Hill, [34] Fixtures Marketing/Oy Veiklaus, [35] Fixtures Marketing/Svenska Spel [36] en
Fixtures Marketing/OPAP. [37] Daarin heeft (de Grote Kamer van) het Hof zich uitgelaten over een groot aantal aspecten van het sui generis-recht, waaronder de voorwaarde dat “
de verkrijging, de controle of de presentatie van hun inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering.” De uitleg en toepassing van die arresten nemen in deze procedure een centrale plaats in.
de verkrijgingvan de inhoud van een databank maakt het Hof een onderscheid tussen middelen die worden aangewend voor datacreatie (die niet meetellen) en middelen die worden aangewend voor het aanleggen van de databank zelf (die wel meetellen). Het Hof overweegt als volgt (onderstrepingen steeds toegevoegd; A-G): [38]
29 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 7, lid 1 van de richtlijn de aan het recht sui generis verbonden bescherming voorbehoudt aan databanken die aan een nauwkeurig criterium voldoen, te weten dat de verkrijging, de controle of de presentatie van hun inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering.
de controlevan de inhoud van een databank:
presentatievan de inhoud van een databank ten slotte heeft het Hof in het arrest
Fixtures Marketing/OPAPhet volgende overwogen:
43 (…) Het begripinvestering in de presentatie van de inhoudvan de betrokken databank betreft op zijn beurt de middelen die worden aangewend om deze databank gegevens te kunnen laten verwerken, dat wil zeggen hetgeen is gedaan met het oog op de systematische of methodische ordening van de in deze databank opgenomen elementen en de organisatie van de afzonderlijke toegankelijkheid daarvan.”
“(…) this leaves open the important question of how to decide when the creation stage ends and another stage begins.” [43] Kritisch is ook Gaster, destijds vanuit de Europese Commissie nauw betrokken bij de totstandkoming van de Databankrichtlijn: “
The judge may have to engage in somewhat artificial exercises in trying to separate the cost attributable to the making of a database from those attributable only to the organization of the underlying activities reflected in the database.” [44]
real timeworden opgenomen in een databank. Het onderscheid kan ook uitnodigen tot constructies waarbij enerzijds de werkzaamheden voor het genereren en anderzijds de werkzaamheden voor het verzamelen en opnemen van gegevens worden gesplitst en verdeeld over verschillende (gelieerde) entiteiten.
verkrijgingvan een databank wanneer het creëren van gegevens in de tijd samenvalt met het verwerken ervan en daar niet van kan worden gescheiden. [45] Het Hof gaat daar echter niet in mee. Ik sluit niet uit dat het Hof het onwenselijk vond dat monopolies zouden ontstaan ten aanzien van sportinformatie, zoals de kalender van voetbalwedstrijden, die zonder bijzondere inspanning wordt gegenereerd door een partij die bovendien in de meeste gevallen de enige bron van die informatie is. [46]
would unjustly discriminate between producers who make databases with newly created contents and databases producers who merely use existing material.” [47] Gaster waarschuwt zelfs voor een re-nationalisering van het databankenrecht: “
Unfortunately, the European Court’s rulings in BHB and others result in reduction of the existing protection of databases in the Community. (…) It is not excluded that (…) that a number of EU Member States might be tempted to (re)-apply their domestic precedents.” [48] Ook de (eerste) evaluatie van de Databankrichtlijn door de Commissie bevat een kritische constatering: “
In addition, the ECJ in November 2004 significantly curtailed the scope of ‘sui generis’ protection, thereby pre-empting concerns that the right negatively affects competition.” [49] Daarbij wordt overigens niet toegelicht
ten opzichte van watgenoemd recht zou zijn beknot.
de uitoefeningvan diens recht. In de hier besproken arresten gaat het om een in de EU-wetgeving gestelde voorwaarde om voor bescherming in aanmerking te komen, zoals bijvoorbeeld ook aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan om tekens als merk te kunnen registeren. Anders gezegd: het gaat hier om een vereiste voor
het bestaanvan een intellectueel eigendomsrecht. Daar past niet zonder meer een ruime uitleg bij.
spin-offtheorie verworpen. Deze ‘theorie’ houdt in dat een databank die (automatisch) ontstaat als bijproduct van een andere activiteit, niet in aanmerking komt voor bescherming op grond van het sui generis-recht omdat er geen economische noodzaak voor bescherming bestaat. De investering in het aanleggen van een verzameling, die primair voor een andere activiteit van de betrokken onderneming dient, zou namelijk in het kader van die andere activiteit terugverdiend moeten kunnen worden. [52] Daar komt bij dat de maker van een databank, die de enige bron (
single source) is van de gegevens die zorgen voor de inhoud van de databank, op grond van het verbodsrecht een monopolie kan verkrijgen op de informatie die zich in die databank bevindt. Daarbij speelt tevens een rol dat een grondslag voor dwanglicenties ontbreekt en een correctie op grond van het mededingingsrecht alleen in zeer bijzondere omstandigheden mogelijk is (en dan nog slechts
ex post).
British Horseracing Board/William Hill:
In dit verband sluit de omstandigheid dat de samenstelling van een databank samenhangt met de uitoefening van een hoofdactiviteit in het kader waarvan de samensteller van de databank tevens degene is die de in deze databank opgenomen elementen heeft gecreëerd, als zodanig niet uit dat deze persoon aanspraak kan maken op de bescherming die het recht sui generis biedt ...”
op voorwaarde dat hij aantoont dat de verkrijging van deze elementen een substantiële investering vergt (…)”. Met andere woorden: geen enkele databank (in de zin van de Databankrichtlijn) is ten principale uitgesloten van bescherming op grond van het sui generis-recht, maar door de strikte uitleg van ‘verkrijging’ zal het resultaat hetzelfde zijn:
spin-offdatabanken vallen buiten de bescherming. Het Hof kon zo een uitleg vermijden waarvoor de Databankrichtlijn geen aanknopingspunt biedt, maar binnen de kaders van die richtlijn een eigen uitleg geven met een vergelijkbaar resultaat.
In its dictum at the end of all four decisions, the European Court of Justice established that ‘obtaining’ does not include costs for the creation of new materials, but only for the collecting of already existing materials. This, in our view, appears to be a general rule not restricted to spin-off databases but applicable to all sorts of databases. On the other hand, one could perhaps argue that such a general statement may not be derived from these decisions, given that they supposedly concerned spin-off databases, and that an a contrario reasoning excludes the application to other sorts of databases.”
Apis-Hristovich EOOD/Lakordabetrof een inbreukactie van de exploitant van een elektronisch juridisch informatiesysteem wegens het opvragen en hergebruiken van substantiële delen van dat systeem door derden. [56] Volgens het Hof veronderstelt ‘opvragen’ het overbrengen, permanent of tijdelijk, van de inhoud van een databank of een deel daarvan op een andere drager. Het Hof overweegt verder (punt 46) dat “…
het doel van de overbrenging irrelevant voor de beoordeling of er sprake is van opvraging.” Daarmee gaf het Hof van dit begrip een ruime uitleg.
Immoweb/Wegener. Het ging daar over de metazoekmachine die wordt aangeboden via www.gaspedaal.nl en voor de aanbieder van Autotrack.nl (Wegener) leidde tot een beweerdelijk verlies reclame-inkomsten. Op basis van economische overwegingen geeft het Hof (ook) van het begrip ‘hergebruik’ een ruime uitleg. [57]
spin-offtheorie het discours over de (wenselijk geachte) de omvang van het sui generis-recht in hoge mate beheerst. [59] In Nederland had deze ‘theorie’ veel aanhangers, wat niet verbaast gelet op de breed gedragen overtuiging dat (informatie-)monopolies onwenselijk zijn uit oogpunt van vrije handel en vrijheid van meningsuiting. In de prejudiciële zaken
British Horseracing Board/William Hill e.a.intervenieerde de Nederlandse regering met een uitdrukkelijk pleidooi vóór de
spin-offtheorie. [60] In de Nederlandse doctrine was overigens hier en daar ook wel een afwijkend [61] of neutraal geluid te bespeuren. [62]
spin-offtheorie
avant la lettreal een keer schipbreuk geleden bij het Hof Arnhem. [63] Dat was nog vóór de omzetting van de Databankrichtlijn. De lagere rechtspraak liet vervolgens een verdeeld beeld zien. [64] De eerste zaak die bij de Hoge Raad kwam was
NVM/Telegraaf, over de zoekmachine El Cheapo die onder andere de website van de NVM (later Funda.nl) afgraasde. In die zaak had het Hof Den Haag de
spin off-gedachte aanvaard. In cassatie heeft de Hoge Raad de
spin off-theorie niet in zijn algemeenheid verworpen maar de toepassing ervan wel begrensd. Hij achtte die ‘theorie’ in de betrokken zaak (“
in dit verband”) zonder betekenis, “
aangezien noch de Richtlijn noch art. 1, onder a, Databankenwet een aanknopingspunt biedt voor de zienswijze dat, ingeval een databank voor meer doelen wordt gebruikt, voor elk van die doelen afzonderlijk een substantiële investering moet zijn aan te wijzen.” [65] De arresten van 9 november 2004 moesten op dat moment nog gewezen worden.
spin off-theorie als zodanig niet meer werd toegepast, maar de geest ervan nog wel rondwaarde. Een geruchtmakende zaak, ook weer over huizenadvertenties, was het kort geding van makelaars en de NVM tegen Zoekallehuizen.nl (ZAH), de beheerder van een gelijknamige website die toegang geeft tot deeplinks naar concurrerende sites, waaronder Funda.nl. Het beroep van eisers op het sui generis-recht faalde. De voorzieningenrechter oordeelde dat aan de eis van substantiële investering niet was voldaan. Daarbij heeft hij overwogen dat het creëren van de elementen die op de website van NVM zijn vermeld, behoort tot de hoofdactiviteiten van een makelaar. De makelaars hebben naar zijn oordeel niet aannemelijk weten te maken dat zij daarnaast voor het invoeren van de verzamelde gegevens op de website, het systematisch ordenen ervan, en voor het controleren en actueel houden van deze gegevens substantiële investeringen hebben moeten doen. [66] In appel werd dit vonnis bekrachtigd. [67] Cassatieberoep bleef uit.
Openbareverkopen/Internetnotarissenging over huizenadvertenties, maar specifiek voor objecten die ter executoriale verkoop worden aangeboden. [68] De veilingadvertenties, afkomstig van notarissen, werden door Internetnotarissen BV op www.veilingnotaris.nl aangeboden. Openbareverkopen BV kopieerde een deel van die advertenties en zette ze op haar eigen website. Het hof Arnhem oordeelt dat wat Internetnotarissen BV betreft is voldaan aan de eis van substantiële investering, omdat zij de kosten voor controle en presentatie van de website draagt en (anders dan het geval is voor de notarissen zelf) haar kernactiviteit het exploiteren van genoemde website is. Verder oordeelt het hof Arnhem dat de overname van de gegevens door Openbareverkopen BV in zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht een substantieel deel vormen van de inhoud van de databank van Internetnotarissen. [69]
Ryanair/PR Aviation. [70] Het beroep van Ryanair op het databankenrecht werd afgewezen omdat niet was gebleken van een substantiële investering in de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud van de databank: [71]
4.13 Naar het oordeel van het hof heeft Ryanair met het bovenstaande ook in hoger beroep onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat sprake is van een substantiële investering in (specifiek) het verkrijgen en in een databank opnemen van bestaande gegevens, het controleren van de verzamelde en opgenomen gegevens en/of het presenteren van de inhoud van een databank. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat Ryanair een luchtvaartmaatschappij is, die haar eigen vluchtgegevens genereert en voor haar bedrijfsvoering gebruikt. De kosten die verband houden met het creëren en bijhouden van deze vluchtgegevens (voor de samenstelling en uitvoering van het vluchtschema van Ryanair) kunnen niet als investering in een databank worden meegeteld. Verder wordt de verzameling van vluchtgegevens via de Ryanair website voor het publiek opengesteld en toegankelijk gemaakt, om de diensten van Ryanair bij potentiële klanten onder de aandacht te brengen en het online boeken van vluchten bij Ryanair mogelijk te maken. De website met de daaraan gekoppelde verzameling vluchtgegevens vormt aldus het (voornaamste) verkoopkanaal van Ryanair. Zoals PR Aviation terecht opmerkt, betreffen de door Ryanair genoemde investeringen daarmee in feite de volledige operationele kosten van (het grootste deel van) haar verkoopinfrastructuur. Naar het oordeel van het hof kunnen die kosten niet - in elk geval niet volledig en zonder meer - als investeringen in de gegevensverzameling als zodanig worden beschouwd. Op grond van de door Ryanair gestelde feiten kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de onderhavige gegevensverzameling getuigt van een substantiële investering in vorenbedoelde zin. Aan Ryanair komt daarom geen bescherming op grond van de Databankenwet voor deze gegevensverzameling toe.”
speciesdaarvan)
.De Databankrichtlijn staat daar niet aan in weg, zoals het Hof - niet verrassend - oordeelde in
Ryanair/PR Aviation. [72] Zoals hoger opgemerkt onder 3.6, is het sui generis-recht echter onder andere ingevoerd omdat nationale regels inzake oneerlijke mededinging volgens de Europese wetgever investeringen in databanken een onvoldoende, althans een te onzekere, bescherming boden tegen ontlening.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1). Daarnaast stelt Pearson dat het hof van een te beperkte uitleg van het begrip ‘zelfstandig element’ is uitgegaan. Zij leest in het bestreden arrest dat volgens het hof alleen een combinatie van elementen een dergelijk zelfstandig element kan scheppen (
onderdeel 2). Tegen de achtergrond van de voorgaande stellingen meent Pearson tot slot dat het hof ten onrechte in de beoordeling heeft laten meewegen dat zij de databanken tot stand heeft gebracht in het kader van een andere hoofdactiviteit. Aldus zou het hof toepassing hebben gegeven aan de
spin-offtheorie (
onderdeel 3).
creërenheeft beschouwd. [76]
het creëren van gegevens ook bestaande gegevens kan omvatten’en mist daarom feitelijke grondslag.
“[d]
aarom(…)
(uitsluitend) de kosten die zien op het ontsluiten van dergelijke reeds bestaande, zelfstandige informatieve elementen - en met name niet de kosten die betrekking hebben op het creëren (van de inhoudelijke waarde) daarvan - relevant[zijn]
voor de vraag of sprake is van een substantiële investering in databankenrechtelijke zin”vragen oproept. Om te beginnen is ‘ontsluiten’ geen databankenrechtelijk begrip. Uit de context van de overweging - in het bijzonder de eerdere duiding van waar het debat zich op toespitst - kan worden opgemaakt dat het hof hier vermoedelijk het oog heeft op de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud van de databank. [78] Voorts is niet onmiddellijk duidelijk waarop de tussenzin -
“en met name(…)
daarvan”- betrekking heeft. Ik meen deze passage in 3.6.1. zo te moeten begrijpen dat de kosten van het creëren van elementen en het creëren van ‘inhoudelijke waarde’ van elementen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een substantiële investering buiten beschouwing moeten worden gelaten. Het begrip ‘inhoudelijke waarde’ is bij die lezing synoniem aan ‘informatieve waarde’.
Fixtures Marketing/OPAPgesproken van uitsluiting van middelen die worden aangewend voor het creëren van ‘bestaande
zelfstandigeelementen’. Het komt mij voor dat het hof in de bestreden overweging precies dat tot uitdrukking heeft willen brengen. Zo wordt ook voorkomen dat de kosten verbonden aan het van nul af creëren van gegevens (nieuwe gegevens in de letterlijke zin) niet relevant zouden zijn, maar kosten die zijn gemaakt voor het bewerken van ruwe data (bestaande gegevens) tot elementen met informatieve waarde wel. Daardoor zou een willekeurige verschil in behandeling ontstaan.
onder I(b)herhaalt in essentie subonderdeel 1(a): opnieuw wordt betoogd dat het onjuist is het creëren van de inhoudelijke/informatieve waarde van bestaande gegevens gelijk te stellen met het creëren van gegevens en uit te sluiten van de investeringen die meetellen. Ik verwijs naar wat ik zojuist heb opgemerkt in 4.10. Dat in de arresten van 9 november 2004 de uitsluiting naar de letter beperkt is tot nieuw gecreëerde elementen kan worden verklaard doordat de in die zaken aan de orde zijn databanken bestonden uit nieuwe gegevens. Het komt mij logisch voor dat investeringen om bestaande gegevens geschikt te maken voor plaatsing in een databank net zo worden behandeld als investeringen in de creatie van nieuwe gegevens. Op die manier worden arbitraire verschillen in behandeling voorkomen.
ipso factouitgesloten zijn, zoals Pearson veronderstelt (zie slot van dit middelonderdeel), volgt reeds daaruit dat het hof eerder in de bestreden overweging voorop heeft gesteld dat de kosten die zien op het opnemen en de presentatie in de databank, wél relevant zijn voor de vraag of substantieel is geïnvesteerd.
onder I(c)vormt een variatie op hetzelfde thema als de vorige klachten. Pearson klaagt erover dat het hof in rov. 3.6.1 en 3.6.2 ten onrechte het combineren van drie elementen (aangeduid als range, schaal, categorie) heeft aangemerkt als het creëren van de inhoudelijke waarde van elementen en investeringen in deze combinatie van elementen niet in aanmerking heeft genomen als investeringen in de verkrijging van de inhoud van de databank. Volgens Pearson vormt
“[h]et combineren in een tabel van verschillende bestaande elementen tot één eveneens bestaand informatief element (…) derhalve het tegendeel van het – niet op het verkrijgen van een databank gerichte – creëren van gegevens” en betreffen de gecombineerde gegevens bestaande gegevens.
Pas in de tabel worden deze elementen samengebracht en pas als alle elementen samen in de tabel staan, heeft het geheel enige informatieve waarde.” [80] Dit lijkt een onjuiste weergave van de feitelijke gang van zaken. De drie meergenoemde elementen worden bij de vaststelling van de normgegevens gecombineerd; de plaatsing in de normtabel is slechts het fysieke vervolg daarop en geen onderdeel meer van de normvaststelling zelf. Dat volgt m.i. ook hieruit dat, zoals Pearson in feitelijke instanties heeft gesteld, [81] de normgegevens op verschillende manieren kunnen worden gepresenteerd, zoals bijvoorbeeld in een grafiek of schema, in plaats van in een normtabel.
refereren (…) aan werkelijkheden die - ook als het statistische werkelijkheden of gemiddelden zijn - op geen enkele wijze door Pearson gegenereerd zijn maar teruggaan op (impliciet) bestaande gegevens. Zij geven immers de (bestaande) waarden weer van metingen verricht in de ‘combinatie’ van omstandigheden die de tabel weergeeft. Zij ‘genereren’ dus geen nieuwe elementen van psychisch gedrag in de werkelijkheid, maar vertalen gegevens, waarden en categorieën uit de bestaande werkelijkheid.”
onder I(d)zijn gericht tegen rov. 3.6.2. Daarin oordeelt het hof dat de werkzaamheden die Pearson in haar uiteenzetting over de vier fases van de totstandkoming van de normtabellen met normgegevens en de daarmee gepaard gaande kosten heeft beschreven, met name betrekking hebben op het ontwikkelen en controleren van de inhoudelijke waarde en deugdelijkheid van het toetsingsmateriaal - naar ik begrijp, bedoelt het hof hier de normgegevens - dat in de normtabellen ten behoeve van de afname van de tests wordt weergegeven en niet op de wijze van ‘ontsluiting’ van dit materiaal. Dat met dit laatste substantiële investeringen gepaard zijn gegaan ligt volgens het hof ook niet voor de hand nu het om relatief eenvoudige, in een handleiding afgedrukte tabellen gaat waarin cijfers worden weergegeven.
subonderdeel I(d), dat bij gegrondbevinding van het middelonderdeel ook het oordeel niet in stand kan blijven dat het niet voor de hand ligt dat met de ontsluiting van het materiaal substantiële investeringen gepaard zijn gegaan (nu het gaat om relatief eenvoudige, in een handleiding afgedrukte tabellen waarin cijfers worden weergegeven), mist zelfstandige betekenis en faalt eveneens.
zelfstandige informatieve waarde” heeft (en voor wie); zie het in hiervoor onder 3.15 genoemde arrest
Freistaat Bayern/Verlag Esterbauer. [87] Of een element kan worden gekwalificeerd als ‘zelfstandig element’ wordt getoetst door te beoordelen of het element na afscheiding van de databank informatieve waarde kan hebben voor een willekeurige derde. De voorwaarde dat een element ‘zelfstandige informatieve waarde’ heeft, is als zodanig echter niet relevant voor de investeringsdiscussie. Echter, omdat een databank blijkens de definitie daarvan moet bestaan uit
zelfstandige elementen, dienen de relevante investeringen per definitie betrekking te hebben op de verkrijging (of de controle dan wel de presentatie) van zelfstandige elementen. [88] Wanneer beoordeeld moet worden of de samensteller van een databank in de inhoud daarvan substantieel heeft geïnvesteerd, mag derhalve worden aangenomen dat die inhoud bestaat uit ‘zelfstandige elementen’. Aan de zelfstandigheid van een element is inherent dat het informatieve waarde heeft. Gelet op dit alles is niet onjuist (maar mogelijk wel verwarrend) [89] dat het hof in rov. 3.6.1, vierde alinea, laatste zin verwijst naar “
zelfstandige informatieve elementen” en in rov. 3.6.2 naar “
bestaande zelfstandig informatieve gegevens”. De gekozen formulering heeft er echter niet toe geleid dat voor Pearson de lat om te voldoen aan de eis van substantiële investering hoger is komen te liggen.
“toetsingsmateriaal dat in de normtabellen ten behoeve van de afname van de tests wordt weergegeven”. [verweerster 1] wijst er in de schriftelijke toelichting onder 68 terecht op dat deze zinsnede niet ondersteunend is ten aanzien van enig oordeel van het hof en zeker niet het oordeel in rov. 3.6.1 dat het slechts de combinatie van de elementen, range, schaal en categorie is die de informatie verschaft. Waar Pearson stelt dat de ruwe data zelfstandige informatieve waarde heeft voor haar en voor welke derde dan ook die psychologische tests zou willen maken, miskent zij dat de ruwe data niet in de normtabellen zijn opgenomen.
onder III(a)nader wordt uitgewerkt, slaagt niet. Hiervoor is al toegelicht dat het hof de onder i) en ii) beoogde investeringen op goede grond buiten beschouwing heeft gelaten. [102] Het gaat hier om investeringen die zijn gedaan in de totstandkoming van de normgegevens en in de controle in de fase waarin de normgegevens worden gecreëerd. Wat de investeringen onder iii) betreft, wijs ik er nogmaals op dat het hof niet heeft beoogd dat investeringen in het plaatsen van gegevens in de normtabel uitgesloten zijn. Het combineren van de drie elementen vindt niet plaats op het moment van het plaatsen van de gegevens in de normtabellen, maar daaraan voorafgaand bij het vaststellen van de normgegevens die vervolgens in de normtabellen worden opgenomen. In haar schriftelijke toelichting onder 78 wijst [verweerster 1] er nog op dat het hof meer bijzonder met betrekking tot deze laatste categorie van investeringen heeft overwogen dat het niet voor de hand ligt dat daarmee substantiële investeringen gepaard zijn gegaan, nu het gaat om relatief eenvoudige in een handleiding afgedrukte tabellen, waarin cijfers worden weergegeven. Zoals eerder overwogen, geeft genoemd oordeel in zoverre niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is het al evenmin.
sui generis-recht. Dat de Databankenwet alleen databanken beschermt waarin substantieel is geïnvesteerd leidt mogelijk tot verwarring, maar zo is het nu eenmaal bepaald.
onder III(b)berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist om die reden feitelijke grondslag. Het hof heeft geen betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de samenstelling van de databank in het onderhavige geval samenhangt met - c.q. de
spin-offis van - de uitoefening van de hoofdactiviteit van Pearson, noch om die reden databankenrechtelijke bescherming uitgesloten geacht. Met de overweging dat
“aan de orde is(…)
of [verweerder 2] c.s door het gebruik in het RSP van de normtabellen met normgegevens afkomstig uit de handleidingen van de tests van Pearson inbreuk maakt op een (sui generis) databankenrecht van Pearson op grond van de databankenwet”heeft het hof slechts een neutrale beschrijving van de herkomst van de gegevens gegeven zonder daaraan gevolgen te verbinden, zoals [verweerster 1] terecht opmerkt. [103]
“de werkzaamheden die zij beschrijft(…)
met name[zien]
op het ontwikkelen en controleren van (de inhoudelijke waarde/deugdelijkheid van) het toetsingsmateriaal dat in de normtabellen ten behoeve van de afname van de tests wordt weergegeven en niet op de wijze van ontsluiting van dit materiaal”ligt de nadruk niet op de samenhang van de samenstelling van de databank met de hoofdactiviteit van Pearson, maar daarop dat de werkzaamheden het creëren van de gegevens (
“het ontwikkelen en controleren van (de inhoudelijke waarde/deugdelijkheid van) het toetsingsmateriaal”) betreffen en niet de verkrijging, de controle of de presentatie daarvan. Waar het hof deze werkzaamheden om die reden buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling of sprake is geweest van een substantiële investering, geeft het bestreden arrest niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
single source)bevatten. Ook heb ik gewezen op het risico van een ongelijk speelveld naar gelang een uitgever gegevens zelf genereert of bestaande gegevens gebruikt en opneemt in de databank, naast het feit dat er in de praktijk tal van tussenvarianten zullen bestaan.