ECLI:NL:PHR:2018:276
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 juni 2016. Hoewel het beroep in cassatie tijdig is ingesteld, zijn er geen middelen van cassatie ingediend binnen de daarvoor gestelde termijn van twee maanden na betekening van de aanzegging. Dit is een vereiste op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Procureur-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep vanwege het ontbreken van een schriftuur met middelen van cassatie. De conclusie is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard, waardoor de uitspraak van het hof in stand blijft.
Er is tevens sprake van samenhang met een andere zaak (16/05927), waarvoor eveneens een conclusie is uitgebracht. De beslissing volgt op een zitting van 13 februari 2018 en is formeel vastgesteld op 3 april 2018.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.